Weten | Leven met Klinefeltermozaïek XyXXy
Stel ik had met mijn 12de geweten dat ik een Klinefelter was. Hoe had mijn leven er dan uit gezien.
Hier het relaas van mijn schoolverleden en arbeidsverleden.

    Na de lagere school, ben ik, min of meer verplicht, naar de MULO gegaan.
    Na 2 jaar MULO had ik het daar wel gezien. Ik schreef me in voor de ambachtsschool en werd aangenomen, naar wat later bleek door een administratieve fout.
    In het tweede jaar reed ik tegen een auto aan en men kwam er achter dat ze een jaar daarvoor de verkeerde brief naar de verkeerde persoon gestuurd hadden. Ik had eigenlijk afgewezen moeten worden. Waarom hadden ze me afgewezen, een jaar van te voren? Wist men iets? Ik vermoed van wel, want als je naar de ambachtsschool ging, werden ook de geneeskundige verklaringen meegestuurd. Dus men wist dat ik een Klinefelter was, ander zou ik geen belemmering zien waarom ze me niet zouden aannemen.

    Maar goed ik werd per ongeluk aangenomen op die school. Was zwaar in die tijd voor me, zeker de praktijkvakken, wij kregen in die tijd nog smeden, bankwerken enz. Vooral smeden was uiterst zwaar voor me. Theorie ging me gemakkelijker af, behalve het Nederlands, de dyslexie speelde me parten, wat ik overigens niet wist in die tijd.
    De vakteken leraar zei ooit in onze klas, enkele van jullie gaan naar de MTS en daarvan zullen misschien enkelen naar de HTS gaan en misschien zit er wel een docent hier in de klas. Ik heb het nooit meer vergeten, want die docent zou ik zijn, een droom die uitkwam, maar daarvoor moet je mijn verhaal verder lezen.

    Na 2 jaar Machine bankwerken, volgde 1 jaar autotechniek. Voor de diploma's slaagde ik gemakkelijk.
    Op 16 september 1968 kwam ik te werken bij Garage Muyres, een FIAT garage in Spekholzerheide gemeente Kerkrade.
    In die tijd was de mijn Willem Sophia op Spekholzerheide nog open en de garage onderhield o.a. de vorkheftrucks van die mijn. Ik was leerling monteur en als je als laatste er bij kwam, kwam je dus al het vuile werk te doen. Nu was ik dat wel gewend van thuis, maar toch, ik zat toch liever te sleutelen, want daar had ik toch voor geleerd. Het eerste jaar in die garage, heb ik alleen maar auto's gepoetst, getectyleerd, showroom gepoetst, garage keren, olie verversen, enz. Het eerste jaar niks gesleuteld. Was zwaar en vooral ongezond, zeker het tectyleren en na een jaar kwam de volgende leerjongen. Naast het werken zat je ook nog op school, ik meen de donderdagavond en de zaterdagmorgen. Daar leerde je voor eerste monteur.
    In het eerste jaar vond de chef-monteur en de eigenaar van de zaak dat ik niet geschikt was voor automonteur. In die tijd zat je in het leerlingwezen, werd je daarin toegelaten, dan kreeg je de uren dat je op school zat doorbetaald, ook moest er een monteur zijn, die je begeleide. Dus het ging om geld. Mijn baas weigerde de handtekening te zetten. Besloten werd om een test te doen via het arbeidsbureau. Uit de test kwam dat ik geschikt was als automonteur. In het afsluitende gesprek met de psycholoog merkte deze op dat hij nog nooit zo'n volwassen jongen had meegemaakt, als ik was in die tijd. Het volwassen was vooral, omdat ik politiek overal van op de hoogte was. Dat was standaard kost bij ons thuis, of ik echt volwassen was in die tijd betwijfel ik. Ik was toen 17 jaar.

    Na de test, waar uitkwam dat ik geschikt was voor automonteur, kwam ik toch niet in dat leerlingwezen terecht. Ik ben daarna ook niet meer lang gebleven bij die baas. In de garage bleek al snel wat mijn voordelen waren en waar ik goed in was. Ik was goed in het fijne werk. Auto's uitlijnen b.v. of uitbalanceren, motoren tunen (afstellen) en ander werkzaamheden waar je nogal wat technisch inzicht en fijn gevoel voor moest hebben. Maar ik kwam ook op plekken, waar anderen niet kwamen, waar je smalle handen voor moest hebben, vrouwenhanden. Die had ik als Klinefelter. Toen ik in de garage begon met werken was ik 1.81 m en 65 kg. Na een half jaar woog ik nog maar 59 kg. Dit om aan te geven hoe zwaar het werk voor me was.

    Toen ik dan ook naar een andere baas wilde vertrekken wilde ze me niet laten gaan. Maar daar had ik geen boodschap aan. Via een klasgenoot kwam ik terecht bij Garage Kolenburg in Heerlen. Ook een FIAT dealer. Veel meer salaris kreeg ik daar niet. Bij Muyres kreeg ik 43,50 per week, daar moest je 6 dagen voor werken, want wij kende de 5 daagse werkweek toen nog niet. Bij Kolenburg verdiende ik 250 gulden in de maand, ook geen vetpot en daar moest je ook 6 dagen voor werken. Ook daar viel ik niet in het leerlingwezen, ik moest dus alles op eigen kracht doen. Ondanks al deze tegenwerking slaagde ik toch als een van de weinigen voor mijn monteurs-diploma. Garage Kolenburg was de grootste oplichter van ze allemaal. Ik had voortdurend een conflict over het niet uitbetalen van overwerk. Garage Muyres lichte meer de klanten op en er is al eens een klant geweest die hem daar voor KO sloeg, tot leedvermaak van de monteurs, die het niet voor hem opnamen, dat zegt al wat over de verhoudingen in dat bedrijf. Privé was Muyres een totaal ander mens, niet terug te herkennen, menige keer hebben we bij hem thuis gezeten voetballen te kijken, als er wedstrijden waren die het 's middags werden gespeeld. In die tijd speelde men vaak in de middag omdat men onvoldoende licht had voor de camera's in de avond uren. Maar in de garage was Muyres een man die altijd lag te schelden en te tieren, Maar ook daar kon ik tegen, ik was niks anders gewend, van thuis, maar prettig was het niet. Je had geen compensatie. Daar kwam ook nog bij dat we in 1968 verhuisde van de Maarstraat, de straat waar al mijn straatvrienden woonden, naar de Tunnelweg. De compensatie van de straat viel toen ook weg. Je ging niet meer even buurten, je was moe als je thuis kwam. Want vaak werd er overgewerkt.
    En om dat overwerk ging het vaak bij Garage Kolenburg. In elke garage waar ik gewerkt heb, had je een stempelklok. Dus het was makkelijk te controleren of je overwerkte en hoeveel dat je overwerkte. Kolenburg deed dat nooit uit betalen, dus stond ik elke maand op zijn kantoor om mijn overwerk uitbetaald te krijgen. Was frustrerend in die tijd. Het was ook A-sociaal. Je deed verantwoordelijk werk, dus daar moet ook een overeenkomstig loon tegen over staan.

    In die tijd had de regering besloten om elke werkende Nederlander 400 gulden te geven. Kolenburg betaalde ze gewoon niet uit. Toen ik naar hem toeging om te zeggen dat hij ook die 400 gulden moest betalen, maakte hij de opmerking dat hij het niet deed. Ik zei hem, dan moet ik helaas naar de vakbond gaan. Waarop hij zei, dat ik niet van een vakbond lid hoefde te zijn, want dat was hij al. Waar ik op zei, ja een voor de werkgevers, maar ik ben lid van een vakbond voor werknemers en die zorgen er wel voor dat ik die 400 gulden krijg. Dat was niet nodig. Ik heb de 400 gulden gekregen. Het conflict kostte veel energie en veel stress, maar ondanks dat, ging ik het niet uit de weg. Ik kan me nog aan het liedje herinneren wat ik altijd neuriede als ik naar hem toe ging. And sympathie is wat we need my friend and Sympathie is wat we need, van Sly en de Family Stones meen ik me te herinneren.

    Im maart 1971 ging ik naar militaire dienst. Ik werd in augustus van dat jaar afgekeurd. Oorzaak te kleine testikels. (Klinefelter). Ik kreeg meteen Groot Verlof. Hoefde dus ook nooit meer op herhaling. In september keerde ik weer terug naar de garage waar ik werkte. Garage Kolenburg. Een paar maanden daarna, werd ik tijdens een griep ontslagen. Ik werd opgeroepen door het arbeidsbureau, om mijn ontslag te tekenen. Zij hadden het al gedaan. Een arbeidsbureau, was er om werknemers te bemiddelen. In Limburg niet, daar was het en daar is het nog steeds een verlengstuk van de werkgever. Maar goed, ik tekende niet, dat kon ook niet, omdat ik dan mijn uitkering verloor. Ik vocht hem zelfs aan en met succes. Als iemand ziek was, mocht je hem niet ontslaan, stond in de CAO. Dat had het arbeidsbureau even over het hoofd gezien. Door deze procedurefout, werd ik een maand daarna ontslagen. Samen met nog een jongen die "lastig" was.

    2 Weken ben ik werkloos geweest. Toen begon ik bij
    Garage Kerres. Wat een verademing was dat. Verdiende 600 gulden in de maand, meer als 2 maal zoveel, Had een goede werksfeer en vooral mocht ik dat doen waar ik goed in was. De tweede week ging ik al op cursus in Amsterdam, bij Renault Nederland. En bij Kerres ging ik wel vaker op cursus. Dat was een werkgever die ook aan scholing deed. Ik ging op cursus voor iets nieuws, waar Renault een van de eerste mee was. Een diagnosestation.
    Dat wil zeggen, kwam een auto voor een beurt, dan werd hij helemaal onderzocht. We hadden 200 punten die gecontroleerd werden. Ik deed alleen maar controleren, de auto wel van nieuwe contactpunten, luchtfilter en bougies voorzien en het afstellen van de motor. Daar kreeg je 2 uur voor, maar als je goed geoefend was deed je het ook in een uur. Grote reparaties, deed ik op het station niet. Dat deden anderen in de garage. Ik deed het om de week. In de andere week deed het iemand anders. Daarvoor had ik gevraagd, om niet in de sleur van het automatisme te vervallen, waardoor je fouten kon gaan maken. Maar contactpuntjes deed ik na een paar weken op het oog afstellen. Als je het dan ging controleren op de scoop, dan stond hij steevast op 57 graden. Dat was precies de warde die hij moest hebben.

    In 1973 kwam de oliecrises, en het werd bar en boos in de garages. Weken hadden we niks meer te doen. En bij ons in de garage volgde ontslagen. Eerst gingen de mensen er uit, die niet zo goed lagen bij de baas. Toen dat niet hielp gingen de "dure" mensen eruit, waaronder ik. Mijn baas was wel zo sportief geweest om mij ander werk te bezorgen. Maar ik had het zien aankomen en was gaan solliciteren bij een ander werkgever en vond werk bij garage Boogaard op de Schelsberg in Heerlen.

    Bij garage Boogaard, kwam ik een oude bekende tegen. Dat was mijn oude chef monteur bij Kolenburg. Maar nu waren de rollen om gedraaid. Vroeger leerde ik van hem. Nu deed ik hem wat voor. Boogaard was ook een Renault garage en daar had ik ondertussen ruime ervaring in. Hij is niet lang gebleven. Ik weet niet of hij er niet tegen kon dat ik hem alles voor moest doen, of dat hij een conflict had met de directeur. Op een dag was hij verdwenen. Had hij ontslag genomen.
    Boogaard gaf me hetzelfde salaris als bij Kerres, met de belofte dat hij het zou verhogen, over een half jaar als ik goed was. Een half jaar later ging ik uiteraard vragen, ik was wel goed, maar hij had geen geld. Dus gouden bergen beloven en niks doen, zo lust ik er wel meer. Mijn dag zou nog wel komen en hij kwam.
    Op een dag komt een vriend van hem met zijn renault 5. Hij moest op vakantie en had zich de dag van te voren de motor in puin gereden. Dus daar moest een "nieuwe" in. Er werd een motor van de sloop gehaald en hij vroeg aan mij of ik hem kon verwisselen en ik stemde toe. Een geoefende monteur deed daar 4 uren over. Nu moest je natuurlijk wel weten wat je allemaal moest loshalen. Ik had het bij Kerres al een paar keer gedaan, dus ik wist wel hoe het moest.
    Ik haalde de motor er uit en ging naar hem toe met de mededeling dat ik naar huis ging. Hoezo naar huis gaan, vroeg hij. De ander motor zat er toch nog niet in. Ik zei, dat weet ik, maar ik had daar geen tijd voor. Hoe zo geen tijd. Laten we het dan anders zeggen, ik krijg niet de juiste beloning. Ja maar, ik had het toch toegezegd. Ik zeg dat klopt, maar jij had toegezegd dat ik een salaris verhoging zou krijgen en die kreeg ik ook niet. wegens gebrek aan geld. Ik kreeg de salaris verhoging, ik heb het me meteen zwart op wit laten zetten, maar hij durfde het ook niet meer, om het niet toe geven. Ik was daar de enige Monteur, dus wat wil je dan.

    Toen de oude collega van Kolenburg weg ging, vroeg Bogaard aan mij, of ik niemand anders wist die de taak van receptionist kon doen. Ik zei dat ik wel iemand wist. Dat was Lei M. Lei was mijn opvolger op het diagnose station bij Kerres. Hij had het in tegenstelling van mij, bij Kerres niet zo naar z'n zin. Wilde hoger op, maar kwam niet hoger op. Lei werd gevraagd en hij deed het. Hij volgende de oud collega van Kolenburg op. Het vlotte wel tussen ons. We schrijven het jaar 1974 en de relatie zou ongeveer tot 1992 duren, toen zijn we elkaar weer uit het oog verloren.

    Begin 1976 moesten we allemaal bij de baas komen. Hij ging de garage verkopen aan Nefkens, dat was een Peugot dealer. Deze man had geen werk voor ons, dus we kregen met z'n allen ontslag. 1 Juni 1976 stonden we allemaal op straat. Bogaard had, wat later bleek kanker. Hij wilde de laatste jaren van zijn leven aan zijn gezin besteden. Hij heeft nog 2 jaar geleefd. Ik ben nog wel eens bij hem op bezoek geweest. Bogaard heette met zijn voornaam Gerrit. Hij was een Amsterdammer van oorsprong. In die tijd, was het liedje "ik ben Gerrit en ik steel als de raven" immens populair. Ik zong het wel eens als hij weer eens wat lang in de garage rondhing, hij was dan ook weer zo weg, naar zijn kantoortje bij de showroom.

    Na mijn ontslag begon voor mij, na wat achterf bleek, een totaal ander leven. Ik werkte nog wel eens af en toe in de garage, maar dat was meer om ff uit te helpen of om mijn eigen auto te repareren, dan om er mijn beroep van te maken. Nee een totaal ander leven begon, maar meer daarover in "Mijn sociaal leven."
    Daar stond ik dan. Op straat. Al weer eens ontslagen. Bij de eerste baas had ik het zelf gedaan, bij die anderen werd ik ontslagen. 4 Bazen in nog geen 8 jaar tijd. Dat was een aardig gemiddelde. Nu is dat normaal. Doen ze het zelfs aanwakkeren om niet te verzanden bij steeds de zelfde werkgever, maar in die tijd was dat ongewoon. Het paste wel bij mijn karakter. Steeds weer iets anders, steeds nieuwe mensen ontmoeten.

    Het ontslag kwam me in die periode goed uit. In 1970 was ik begonnen met de leraren opleiding. Dat gaf nog al eens problemen, want om half zeven begon de school en om kwart over vijf beëindigde ik mijn arbeidsdag. Dus het was allemaal getimed. Naar huis, snel douchen, eten en dan naar school, dat ging net. Vaak probeerde men mij nog wat werk in handen te duwen vlak voor kwart over vijf, maar klokslag kwart over vijf hield ik er mee op, klanten vaak verbazend achter latend. Het was afgesproken, men wist dit. Ik had 3 dagen in de week school.

    Een keer per maand moest ik eerder weg omdat ik dan naar de huisarts moest voor een penicilline spuit i.v.m. mijn acute reuma. Pijnlijk, want van zo'n spuit kon ik 3 nachten slecht slapen en was dus 3 dagen doodmoe overdag.

    Dat was nu allemaal voorbij. Ik stortte me op mijn studie docent Wis en Natuurkunde N1. Met de penicilline spuiten was ik gestopt, ik werd er letterlijk en figuurlijk gek van. Ik solliciteerde wel, kreeg vaak te horen dat ze me voor 1 jaar niet in dienst wilde nemen en misschien straalde ik het ook niet uit, dat ik werk wilde.
    Mijn studie verliep voortvarend en ik heb mijn diploma behaald. Lees mijn verhaal "
    Het Diploma", als je erover meer wilt weten.

    1976 was een warme zomer. Thuis heb ik van alle kozijnen van binnen en buiten de verf er af gehaald en gevernist. Ik zit nu nog op het bedankje te wachten. Mijn ouders spaarde zich de schilder er mee uit. Spaarde daarmee duizenden guldens. Ook de jaren daarna werd het alleen maar een beetje overgeschilderd, omdat er een speciale lak op zat die niet ging scheuren of barsten. In 2000 hebben ze alle kozijnen vernieuwd, dat bedrag hadden ze in de loop van de jaren gespaard, doordat ik toen in 1976 3 maanden had gewerkt om die klus te klaren.

    In het begin van 1976 was ik eens naar een vergadering gegaan van de plaatselijke PPR (Politieke Partij Radikalen), dar werd ik in dat jaar secretaris van, niet omdat ik dat wilde, maar omdat ze me dat vroegen en omdat dat de eerste mensen waren die vertrouwen stelde in mijn kunnen. Dat had ik thuis nooit gekregen. Ik ben het 6 jaar gebleven. De maximale tijd dat je secretaris kon zijn volgens de reglementen van de PPR en die onderschreef ik. Ik wilde het ook niet lager zijn, want de koesjelemoesch (achterkamertjes politiek) hing me na 6 jaar de keel uit. De Volkstuinen Dentchenbach zijn er door mij gekomen. Ik heb eens een ambtenaar hoofd interne dienst van de gemeente Kerkrade gered. Hij was namelijk vergeten de papieren te bestellen die nodig waren om de verkiezingen te organiseren. Je moest verschillende formulieren invullen en die kon je in bepaalde termijnen halen en die moest je binnen een bepaalde tijd inleveren. Ik was zo'n persoon die altijd de eerste dag dat je een formulier kon krijgen op de stoep stond en altijd de eerste dag van de inlever termijn het formulier inleverde. Stel niet uit tot morgen wat je heden kunt verzorgen, dat doe ik nog steeds. Het heeft meer met mijn Klinefelter te maken. Het korte termijn geheugen van een Klinefelter is slecht, is altijd zo geweest bij mij. Dan leer je je allerlei trucjes aan om dingen niet te vergeten. Een van de trucjes is om dingen niet te laten liggen, maar meteen uit te voeren, een ander trucje is om meteen alles op te schrijven, of stukjes op te schrijven van een verhaal. Je gaat dan een ander stuk van je geheugen gebruiken, waar geen probleem zit. Nu doe ik mail meteen beantwoorden, dan kan ik het niet vergeten. Ik heb veel geleerd in de tijd dat ik secretaris was. Ambtelijke brieven schrijven, want die ambtenaren hanteren een apart taaltje, of brieven zo te schrijven, dat je mensen aanspreekt op iets, zonder dat het in de brief staat, maar ook mensen benaderen, mijn verlegenheid van me afzetten die ik van huis uit had, veroorzaakt door mijn Klinefelter en versterkt door mijn familie, omdat ze me nergens in stimuleerde in tegendeel zelfs, meestal werden die dingen die ik deed afgekraakt. Mijn vader ging altijd van zich zelf uit, een gesloten mens, die weinig omgang had met mensen buiten z'n gezin. Bang om iets verkeerd te doen. Zijn zoon moest ook maar zo zijn, terwijl dat mijn natuur niet was.
    Het voordeel om een politieke functie te bekleden in Kerkrade werkt lang door. Toen ik een woning nodig had, in 1985, ging ik naar de toenmalige wethouder en binnen 3 maanden had ik een woning, terwijl je daar normaal 3 jaar op moest wachten in die tijd. Natuurlijk ook koesjelemoesch, maar als een systeem corrupt is moet je daar gebruik van maken anders blijf je nergens.
    Secretaris zijn van een club, betekend de belangrijkste positie bekleden, de meeste mensen menen dat dat de voorzitter is. Niets is minder waar. Bij de secretaris is de mens die bepalend is voor een partij of een vereniging, bij de secretaris komt alles binnen en gaat alles uit. Het is meestal ook de drijvende kracht. Het baantje was me op het lijf geschreven en mede daardoor ben ik nog van een heleboel verenigingen ooit secretaris geweest, maar de PPR was de belangrijkste, het begin. Toen ik secretaris was van de PPR in Kerkrade verloren we geen verkiezingen, gingen ieder verkiezing er op vooruit. Verloor men landelijk, in Kerkrade steeg men. Eindelijk de waardering krijgen van mensen, die ik tot dat moment gemist had. Maar natuurlijk moet ik zeggen dat we in die tijd ook een paar fanatieke figuren op de achtergrond hadden, maar dat moet je als secretaris er ook uit laten komen. Het goede voorbeeld van mij, was ook vaak een stimulans voor andere mensen, om er ook wat mee te doen. De jaren bewezen vaak, dat als ergens mee stopte, dat de partij of vereniging een knauw kreeg, of ook stopte.

    In 1977, haalde ik mijn diploma : Leraar Wis- en Natuurkunde N1, om precies te zijn op 14 juni van dat jaar. Ik solliciteerde me te pletter. maar werk leverde dat niet op. Vroeger was het zo dat je het pedagogisch getuigschrift, daarna moest halen. Dat heb ik nooit gehaald. dat had verschillende oorzaken. Ik haalde geen voldoende voor mijn stage. Ik was te nerveus als ik voor een groep van mensen stond, vond men. In die tijd was dat ook zo. Kon ook niet anders. De 5 jaar penicilline, was een van de oorzaken, het tast je zenuwstelsel aan. Een andere oorzaak, was natuurlijk mijn Klinefelter geen mannelijk libido, geen zelfvertrouwen, dat laatste kwam ook door de opvoeding, weinig stimulans in de dingen die je deed, waardoor zelfvertrouwen niet gekweekt werd.
    In ieder geval, mijn stage draaide op niks uit. Maar ook aan de theorie deed ik niet veel, haalde zonder te leren toch een voldoende op het examen, blijkbaar voelde ik de dingen wel goed aan. Ik had geen tijd meer en geen zin meer in het leren. was bezig met ander dingen, zoals de politiek, die op dat moment belangrijker voor me waren.

    In 1977 had ik ook mijn tweede grote overspannenheid. De eerste had ik ooit in de garage gehad. dat lag 4 jaar terug, dat was rond 1974. Overspannen werd ik van het feit dat het werk krijgen niet lukte. Ik viel in een gat, 7 jaar werken en studeren en dan plotseling niks meer. dat was niet goed. Ook de teleurstelling dat mijn ouders en mijn familie het diploma niks interesseerde en me bleven behandelen als een kind, stoorde me enorm. Ik wilde weg, werk hebben. Door een tip van iemand kwam ik terecht in het vrijwilligerswerk van K3. Ik zie het nog voor me zoals het gebeurde. Met knikkende knieën ging ik naar het K3-centrum, wat aan de rand van Chevremont en Kerkrade lag. Ik deed de deur open, waar enkele mensen met elkaar stonden te kletsen, Jos met Guus en Miriam zat achter haar bureau, zij was de baas van het geheel, wat ik toen niet wist. Na een paar minuten merkte men mij op, en vroeg aan mij, wat ik kwam doen. Ik kwam voor vrijwilligerswerk. Wat ik dan voor een vrijwilligerswerk wilde doen. Ze hadden de Meubelbeurs, ik zegde meteen toe. 10 jaar met een kleine onderbreking van 2 jaar heb ik het gedaan.

    In Augustus 1977 begon ik met de Meubelbeurs samen met Cor en Jo die allebei 4 jaar ouder waren dan ik. Cor was een fietsenmaker en Jo was docent handenarbeid. Het klikte van af het begin tussen ons drieën, het zou een leuke tijd worden. We waren alle drie in augustus geboren Jo 9 augustus Cor 17 augustus. Misschien klikte het daarom wel zo goed tussen ons, maar ook omdat we alle 3 in de technische wereld zaten. Een gebaar was genoeg om elkaar te begrijpen, wat wel eens moeilijk was met anderen, die een theoretische opleiding achter de rug hadden.
    De Meubelbeurs was een onderneming voor werklozen. We haalden huisraad op en verkochten dat weer in onze winkel. Talent om te verkopen had ik wel. De Meubelbeurs, was in maart van dat jaar van start gegaan. Men had een startkapitaal gekregen van 5200 gulden en men was in augustus van dat jaar bijna failliet, weer een project met werklozen dat het niet zou halen dacht men toen. Maar door ons drieën draaide de zaak. Een half jaar betaalde we de subsidie aan de gemeente terug. Toen waren we semi onafhankelijk. Ook ongeveer een half jaar daarna, maakte ik een huishoudelijk reglement. Ik ben door menigeen in die tijd er voor uitgelachen en belachelijk gemaakt, Wat moest nu een werklozenproject met een huishoudelijk reglement. Vooral de mensen die de kantjes er van af liepen hadden er moeite mee. Het reglement is er altijd in gebleven. 1 jaar gelden is het project gesloten. Te veel concurrentie van de gemeente die ook begonnen waren met winkels voor tweede hands spullen. Een paar jaar na het uitbrengen van de regels moest de projectleider toegeven dat het een goede vooruitdenkende zet van me was om een huishoudelijk reglement te maken.
    Het eerste jaar hadden we geen busje om de spullen op te halen. Dat huurde we iedere week. of om de 2 weken, dat lag aan de aanvoer. Er tussen door haalde we wat met onze eigen auto's Ik had een Renault 12 en Jo een Mini. Op die imperiaal van mij is heel wat vervoerd in die tijd. Na verloop van tijd leende we een Renault Estafette van Abels, die konden we 2 maal in de week hebben. Abels had een stoffeerderij in de Einderstraat in Kerkrade. Mijn werken aan Renault kwam wel van pas bij die bus, ik heb hem menige keer zitten te repareren.
    In 1980 kwam een van de medewerkers de winkel in met de mededeling dat hij aan de slag moest op een school waar hij totaal geen zin in had. Het werk was amanuensis natuur en scheikunde. Ik had er wel oren naar. ik ben met het arbeidsbureau gaan praten en gevraagd of ik een gesprek kon hebben met de directeur van de school. In eerste instantie werd dat afgewezen, maar na lang aandringen besloot men toch tot een gesprek. In principe was mijn opleiding te hoog, Men zocht een MBO'r en ik had HBO. Het gesprek met de directeur pakte gunstig voor mij uit. Ik werd aangenomen. Ik kon beginnen als amanuensis. In 1979 was ik ook afgevallen van 102 kg naar 63 kg had een beren conditie en reed elke dag met de renfiets naar mijn werk een 6 km verder. Ik had wel een auto, maar ik had toen al last van een claustrofobie voor autorijden, die 6 jaar later zo erg werd dat ik niet meer achter het stuur, alleen, durfde plaats te nemen.

    Op de Mavo de Lichtenberg, dat was de school waar ik ging werken, kleurde ik op. Het zou de mooiste tijd van mijn leven worden. Het duurde helaas maar 9 maanden, maar het had voor mij 9 jaar mogen duren. Daar had ik het echt naar mijn zin. En de docenten waren ook heel tevreden over mij. als ik niks meer te doen had ging ik meehelpen in het onderhoud. Ik heb al eens een fietsen stalling in elkaar gelast, de rioleringen schoongemaakt enz. Dat werk doe je gewoon, als je ergens werkt, waar mensen je waarderen en dat laatste miste ik van thuis, dat kreeg ik niet.
    Na de 9 maanden hebben ze nog geprobeerd om tot een verlenging van het contract te komen, maar het arbeidsbureau gaf geen toestemming. Het arbeidsbureau, waar een neef van mij voorzitter van was.
    Ik werd weer werkloos en ging weer terug naar de Meubelbeurs. Ik solliciteerde weer op alles wat los en vast zat en een van de sollicitaties had succes Ik werd uitgenodigd voor een gesprek op het Bernardinuscollege. Men zocht een TOA. Welke TOA stond er niet bij. Toen ik binnenkwam waar het gesprek zou plaats vinden, moest ik wachten. Ik vroeg waar we op zaten te wachten. Op de vakdocent was het antwoord op de leraar biologie. Biologie zei ik en stond op en liep naar de deur. Ik zit hier verkeerd, biologie heb ik mijn hele leven nog niet gehad. Ik werd teruggeroepen en gevraagd weer plaats te nemen. Dat was niet erg meende men, dat leren we je wel. Het was een baan voor 5 halve dagen in de week. Het 'smorgens werkte ik op de Meubelbeurs en het 'smiddags op Bernardinuscollege
    Ik was dus aangenomen. In de loop van het jaar heb ik eens gevraagd, waarom ze mij hadden aangenomen. Ik had een goed getuigschrift en daar kon men niet om heen. Er waren 67 sollicitanten geweest en de eer viel mij ten beurt. Na 1,5 jaar raakte ik overspannen. Oorzaak, achteraf natuurlijk mijn Klinefelter, Toen het werken van hele dagen en een beloofde baan die niet doorging.

    En ik was hevig overspannen toen. Zo erg had ik het niet gehad. Amper 5 jaar geleden de vorige gehad en nu weer. Het zou tot 1986 duren voordat ik er weer overheen was.

    Op Bernardinus werd ik ontslagen. Ik ging verder met mijn vrijwilligerswerk. De meubelbeurs haalde me toen uit een diep dal. Ik heb 3 maanden niet naar buiten gedurfd. maar na 3 maanden ben ik langzaam weer begonnen. De meubelbeurs was 3 km van mij verwijdert. met 100 meter ben ik begonnen en elke dag een beetje meer, tot de dag dat ik de afstand in een keer aflegde. Een overwinning op mezelf. Daarna ging ik er elke dag heen, eerst te voet, dan met de fiets. Het contact met de mensen, door het verkopen van meubels, hielp me weer er boven op. het lichamelijk soms zware werk liet me niet aan mijn problemen denken en met de dag werd het beter. De artsen van het ABP wilde me goedkeuren. De psycholoog stelde me toen voor een keuze. 15% afkeuring of 100 % goedkeuring. Ik koos voor het eerste, wat me naderhand noodlottig werd, maar dat weet je op dat moment niet. Als je je voor 15 % liet afkeuren, moest het ABP je reïntegreren en daar had ik wel oren naar. Ze lieten me testen en er kwam uit dat ik informatica moest gaan doen. Op Bernardinus hadden ze me al warm gemaakt met computers. Daar hadden ze in die tij de P2000 van Philips. Ik had me de Apple II gekocht. In 1983. Op de school moest je je altijd laten inschrijven, om er aan te kunnen werken. Dat was me te lastig, daarom besloot ik me er zelf een te kopen. In 1985 deden we er de boekhouding op van de meubelbeurs en liepen 2 mensen van de HEAO stage bij me, om het programma te verbeteren. Ik pionierde er in die tijd al flink op los. Steeds nieuwe dingen aanpakken is de beste training voor de hersenenen. en dat doe ik en dat deed ik, al altijd. Computer gebruik in een bedrijf was in die tijd een unicum, maar wij deden de boekhouding er mee, hielden een database bij van de klanten enz.
    Door de test op het ABP begon ik in 1986 aan de AMBI modules. Zij hadden me verzekerd dat ik werk zou krijgen en op die voorwaarde begon ik met de studie. Ik haalde keurig de diploma's A1 B1 en B2. Cobol haalde ik niet, dat kwam door mijn dyslexie. daar had ik in die tijd geen weet van, dat ik dat had. Maar ik sloeg woorden over die wel in mijn hoofd zaten, maar niet op papier. Ook sloeg ik letters over. Dan kun je in cobol geen hoog punt halen, want je moest met de hand en programma schrijven.
    Het was al na het behalen van B1 duidelijk dat het ABP me geen werk zou bezorgen. Wel een grote mond hebben, maar niks doen. In het begin van 1986 liep ik stage bij het CBS. In de tijd van protesten tegen de kernraketten, die al waren ingevoerd, toen de mensen stonden te protesteren. Ik kan me nog herinneren, dat de betreffende ambtenaren die daar over gingen het in geuren en kleuren kwamen vertellen. Zo worden we in de maling genomen in Nederland, in de tijd van het kabinet van Agt Wiegel.
    In het voorjaar van dat jaar kneusde ik me door een val 4 ribben en melde dat keurig aan mijn begeleider en aan het ABP. 6 weken was ik uitgeschakeld. met het leren ging ik gewoon verder. In de tussentijd was de het half jaar stagetijd om en ik hoorde niks meer van mijn begeleider. Ik heb nog eens opgebeld naar het CBS hoe het was, of ik nog terug kon, maar dat ging niet. de persoon die zich een half jaar voor mij had vrijgemaakt, zat nu met volop in het werk. 3 maanden nadat ik beter was gingen voorbij. Ik haalde het diploma B2, als enige van 43 studenten. En was begonnen met Cobol. Mijn telefoon ging en meneer Offermans mijn begeleijder van het het ABP wilde met me komen praten bij mij thuis in Blijerheide Kerkrade, want ik was in 1985 thuis uitgetrokken. Ik besloot het gesprek op te nemen, op mijn Revox A77 die ik in de kast had gezet. en waar ik 2 microfonen op aan heb gesloten, die ik had verborgen achter de boeken. En ik raad iedereen aan dit te doen, als je een gesprek hebt met zulk soort personen. Ik had het niet opgenomen om hem onder druk te zetten, maar voor mezelf, om te kijken hoe zo'n gesprek zou verlopen. Het gesprek verliep niet zoals hij het gehoopt had. Hij had gehoopt dat ik tijdens het gesprek zou zeggen dat ik er mee zou stoppen met mijn sudie en dat hij daardoor niets meer hoefde te doen. Uiteindelijk werd hij kwaad en ik niet. Hij liep ik kwaad de deur uit. Dat kwam zo. In het begin van het gesprek vroeg hij mij waarom ik niet had opgebeld toen ik weer beter was, naar hem. Hij vond wel dat ik hem op de hoogte moest houden. Daar bracht ik tegen in, dat ik niks eer van hem gehoord had, ondanks dat ik me ziek had gemeld, en ook hij kon naar een ziek mens weleens belangstellend vragen hoe het met de patiënt ging. Naar wat heen en weer gepraat, vroeg hij me, of ik de diploma's gehaald had en welke. Ik noemde zie op en ook nu weer vond hij dat ik hem moest in lichten over de behaalde resultaten. Ik zei toen tegen hem, dat ik het daar niet mee eens was, hij kon ook wel eens wat belangstelling voor mij tonen, want ik vroeg me de laatste tijd af wie wie aan het begeleiden was hij mij of ik hem. Waarop hij opstond en zonder een woord te zeggen bij mij de deur uitliep. Mij perplex achterlatend, maar zijn doel had hij niet bereik. Ik heb de band stil gezet de band terug gespoeld en het gesprek nog eens beluisterd en constateerde hoe geniepig hij te werk ging om mij over te halen om er een punt achter te zetten. dat was hem niet gelukt.
    Ik vroeg een nieuwe begeleider en ik kreeg de heer Rienties, waar ik na een gesprek nooit meer iets van hoorde, tot mijn herkeuring in 1990. Toen belde hij me op, om bij me langs te komen. Ook dat gesprek had ik opgenomen. Nu echter met een videocamera en een richt microfoon. Op het einde van het gesprek zei hij dat hij me 100 % zou afkeuren. Dat was gunstig voor mij dacht ik. Enkele weken van te voren was ik Ricarde Offermans in Heerlen tegen gekomen. Nu is hij burgemeester van Meersen, maar toen was hij een ambtenaartje van het arbeidsbureau. (Dit was een andere Offermans dan die van het ABP). Laat je 100 % afkeuren en ik bezorg je werk had hij me beloofd. Dus toen Rienties zei ik keur je 100% af, was dat gunstig.
    Na enkele weken kreeg ik de uitslag schriftelijk gestuurd. Tot mijn stomme verbazing was ik 100 % goedgekeurd. Opgebeld, maar hij was er nooit, de lafaard. Op een gegeven moment heb ik tegen de secretaresse gezegd, dat ik het gesprek opgenomen heb, en dat ik met het bandje naar zijn directeur zou gaan en naar de pers, connectie had ik daar genoeg. Binnen 2 minuten hing hij aan de telefoon, ik vroeg hem nog wat voor een merk auto hij had, want dat moest toch wel een snelle zijn als hij 2 minuten geleden uithuizig was. Er kwam een herschikking en ik werd als nog afgekeurd. Hij belde op een gegeven moment op, of ik even na het ABP wilde komen. Ik vroeg waarom, in de tussentijd had ik een kleine cassetterecorder aan mijn extra luidspreker gekoppeld van de telefoon, Hij moest me de uitslag vertellen van de herschikking. Ik zei hem dat hij dat ook telefonisch kon doe, ik zag het nut niet in om voor 2 minuten gesprek een reis te moeten maken van Bleijerheide naar Heerlen. Na een tijdje heen en weer kreeg hij in de gaten dat ik voet bij stuk hield. Hij deelde me me dat ik dan 80-100% was afgekeurd.

    Ik had nu de schikking en daarmee ging ik natuurlijk naar Ricardo Offermans op het arbeidsbureau, hij had mij werk belooft en dat moest hij maar waarmaken vond ik. Goedgelovig als ik altijd al was, eigenschap van iemand met een gebrek aan testosteron, dacht ik dat ik inderdaad werk van hem kreeg.

    Ik moest me van hem melden bij het Licom, dat in die tijd de Zol heette. Daar moest ik een test doen. Uit de test bleek dat ik een te hoge opleiding had om bij de ZOL te kunnen werken. Toen dat niet ging probeerde hij me via een achterdeurtje toch bij de ZOL te krijgen. Volgens hem moest ik dan een paar maanden bij het Welterhof gaan werken, tussen een mensen met een IQ van 70 en lager. Ik ben met hem er na toe gegaan, omdat ik wilde hij zelf zou inzien dat ik dit aanbod niet serieus kon nemen. En dat gaf hij dan ook toe. We maakte een afspraak om nog eens alles te evalueren op het arbeidsbureau. Op die afspraak deelde hij me mee, dat hij geen werk voor me had en dat ik kon vertrekken. Nu had hij buiten de waard gerekend. Ik bleef zitten, bij hem op kantoor. Hij heeft nog gedreigd met de veiligheidsdsmensen en zo, maar ik bleef zitten. Hij had me werk beloofd en ik vond dat hij het moest na komen. Ten einde raad belde hij de banenpool op en maakte een afspraak met hun. Ik kon op gesprek gaan.

    Ik kwam te werken in de Banenpool. (moderne slavernij), het zelfde doen als andere mensen, maar dan voor een minimumloon. Maar goed ik zag het als een opstapje, naar vast werk. Ik kwam te werken bij het stadsarchief van de gemeente Heerlen, als medewerker beeld en geluid. Een mens die van te voren in een beroep heeft gezeten van zelf beslissingen nemen, moet niet bij een overheidsinstelling gaan werken. Daar werken alleen maar Ja knikkers, daarom is de bureaucratie bij zo'n instellingen zo groot. Men moet namelijk eerst de hiërarchie helemaal aflopen wil je iets kunnen doen.
    Laat ik eens een voorbeeld nemen. Ik moest een database maken van de aanwezige video-opnamen in het archief. Ik deed dat met het programma Q&A. Ik had nog nooit met dit programma gewerkt. In het archief waren wel mensen aanwezig die er mee gewerkt hadden of er mee werkte. Niemand was bereid mij te helpen om het programma te leren. Dat kende ik niet deze egoïstische werkwijze. In een garagebedrijf is dat niet. Daar helpt iedereen elkaar, er volgt zelfs ontslag als je het niet doet.
    In een gemeentelijke instelling is alles wat in het bedrijfsleven normaal is, niet aanwezig., daarom functioneren die instellingen ook niet voor geen meter. Ik maakte de database. Ik leerde het mezelf. Ik had dan wel geen testosteron, maar door mijn Spartaanse opvoeding, ben ik wel iemand die zich niet laat tegen houden door niet welwillende collega's, dat had ik jarenlang in ons gezin ook meegemaakt. Dus een beetje tegenwerking slaat me niet uit het lood. Ik ging naar mijn directeur, om met hem te bespreken hoe ik de database zou maken. Hij ging akkoord met mijn ontwerp. Ik maakte de relationele database en toen ik hem gemaakt had, maakte ik een afspraak om het mijn directeur te laten zien. Maar steeds werd de afspraak verzet. Je kon dus niet verder. Dat hing me na 2 weken de keel uit Ik kon geen steek doen en wilde aan de slag. Ik ben maar begonnen met invoeren. Na 3 maanden ging, de afspraak dan eindelijk door. Tot mijn verbijstering vroeg hij, hoezo ik voor dit ontwerp had gekozen, hij was het er totaal niet mee eens en ik moest maar opnieuw beginnen. Ik zei tegen hem, dat ik niet een nieuw ontwerp maakte, want het was door hem zelf goedgekeurd en de wispelturigheid en het steeds moeten wachten dat afspraken doorgingen leidde tot te veel vertraging. Hij was zo perplex over het antwoord, dat hij akkoord ging met het ontwerp. Ik was al weken in aan het voeren en ik had absoluut geen zin om opnieuw te beginnen. Bij de gemeente zitten vaak omhoog gevallen ambtenaren, die met veel kontenkruiperij in veel te hoge posities zij terechtgekomen die ze niet verdienen en totaal niet geschikt voor zijn.
    Vandaag de dag weet ik dat de man in kwestie weggepromoveerd is, daar zijn ze goed in bij gemeentelijke instellingen, mensen die niet functioneren een nietszeggend baantje te geven. En wij maar betalen. Ik vind dat als iemand niet functioneert, dat hij dan ontslagen moet worden.

    Hoe kwam het tot mijn ontslag bij de gemeente?
    Als banenpoler bezat je toen totaal geen rechten. Ze konden je van het ene op het andere moment ontslaan. Als je ontslagen werd, dan moest de banenpool instantie proberen om een andere job voor je te zoeken.

    In juli van het jaar 1992 kwam het hoofd interne zaken van de gemeente Heerlen dhr. Thelen bij de onderdirecteur van het archief, de directeur was op vakantie, Om films te kopiëren voor het afscheid van Burgemeester van Zeil op zijn verjaardag van 3 augustus. Van Zeil had op dezelfde dag verjaardag als ondergetekende. De arme sodemieter van Zeil was niet in het bezit van een videorecorder en die kreeg hij cadeau van zijn personeel. Daar hoorde films bij. B.v. de film : "van Zwart naar groen" die ging over de sanering van de mijnterreinen. Een paar weken van te voren, was dhr. Thelen naar de afdelingsvergadering gekomen, om ons op het hart te drukken, dat we niks mochten kopiëren zonder toestemming van de maker van de film. Ik had hem nog gevraagd, stel de koningin belt me, dan ook niet zei dhr. Thelen.
    En op die dag in julie kwam de onderdirecteur me vragen om even een paar films te kopiëren. Dan doe je dat toch even. Nee, zo zit ik niet in elkaar. In mijn opvoeding hebben ze me geleerd wat het verschil is tussen gelijkheid, men hield zich zelf er wel niet aan, maar bij mij heeft die vorm van ongelijkheid bij mijn ouders hun opvoeding, dat ik dat niet doe. Gelijke monniken gelijke kappen. Dus ik zei zorg eerst voor het copie-recht. Daar werd geen gehoor aangegeven. In tegendeel, op een gegeven moment kreeg ik de opdracht dat ik moest kopiëren, als ik het niet deed kon ik vertrekken. Ik heb het gekopieerd en heb zoals het moest, dus volgens de regels van diezelfde meneer Thelen er een rekening er bij gedaan van 2,65 gulden per minuut film. Dat we een rekening moeste schrijven vloeide voort uit het feit dat als er geen copie-recht werd verkregen moesten we een rekening uitschrijven. Uiteindelijk leidde dit als nog tot mijn ontslag. En dhr. Thelen? die hebben ze een half jaar erna weggepromoveerd, hoezo? ik heb niet over me heen laten lopen, nadat ik weg was op het archief, ben ik verhaal gaan halen bij de toenmalige wethouder, die me toen al verzekerde dat hij zou weggaan op interne zaken, hij was wel bij meer mensen in het verkeerde keelgat geschoten, men verweet heb gebrek aan leiderschap.

    Ik was weer zonder werk. Ik heb mijn verlofdagen opgemaakt van al het overwerk wat ik gedaan had, dat waren totaal 2 maanden, dus op mijn luie reet had ik niet gezeten, in de tijd dat ik daar was als banenpoler.

    Ik kreeg daarna werk op de PABO een onderdeel van de hogeschool Heerlen, als aplicatie-beheerder.
    De hogeschool is een apart verhaal, waar ik een nieuw hoofdstuk over begin.


    Ik kreeg daarna werk op de PABO een onderdeel van de hogeschool Heerlen, als applicatiebeheerder.
    In het sollicitatiegesprek, had ik bedongen dat er elke 2 weken een teamvergadering was. Ik was er aangewend geraakt in het werken in de garage, dat je altijd ruggespraak had met je chef over de werkzaamheden. Goed communiceren is belangrijk in het garagebedrijf, daar hangen mensenlevens van af. In overheidsinstellingen weten ze meestal niet wat dat is. Bij de PABO waren ze nog achterlijker als op het Bernardinuscollege, waar ik 10 jaar eerder werkte. Op Bernardinus had je personeelsvergaderingen, meestal 3 maal per jaar van het volledige personeel. Op de PABO had men daar nog nooit van gehoord. Daar worden mensen opgeleid die als ze eenmaal docent zijn, op eilandjes werken. Veel van die docenten op die school ware dat ook. Een voorbeeld daarvan was dat ik van mijn werkplek werd gestuurd als een van de docenten in het informatica lokaal les gaven. Een keer heb ik dat toegestaan, daarna niet meer. De docenten die daar niet tegen konden, stuurde daarop nog liever de studenten naar huis, dan les te geven in het informatica lokaal. Rare mensen die docenten.
    Maar goed. Ik begon als applicatiebeheerder. Men had ook een systeembeheerder in dienst. Hoewel hij aanwezig was op het sollicitatie gesprek, had Marcel le Nobele geen vragen tijdens dat gesprek. Hij heeft me het leven zuur gemaakt in de begin periode. Weinig kameraadschappelijkheid bij overheidsinstellingen en nogmaals voor mij totaal onbegrijpelijk. Als je eenmaal een vaste baan hebt is ontslag moeilijk in het bedrijfsleven is dat stukken makkelijker. Daarom begrijp ik niet, dat mensen in het bedrijfsleven wel kunnen samenwerken en in overheidsinstellingen niet, waar haat en nijd hoogtij viert. Ik heb er veel last mee gehad, maar het is uiteindelijk toch goed gekomen tussen Marcel en mij. Maar dat is voor later.

    In het begin werd ik door hem getreiterd. Mijn fiets werd vaak weggezet, programma's die ik installeerde werkte opeens niet meer, door toedoen van hem. In het begin kreeg ik ook totaal geen ondersteuning van de directeur van die PABO dhr. Martin Eurlings, in de huidige hoedanigheid is hij gedeputeerde van de provincie Limburg, de van van jawel Camiel. Na twee weken vroeg Martin me hoe het beviel op de PABO, ik zei hem op de pesterijen na goed. Dat antwoord had hij blijkbaar niet verwacht. Blijkbaar kon hij allen maar tegen positief nieuws. Ik kon vertrekken als ik zo negatief bleef, zei hij tegen me. Wat had ik hier aan mijn fiets hangen dacht ik toen nog. Ik heb me omgedraaid en ben gegaan. Bij mezelf denkend, gewoon uit de weg gaan en niks meer zeggen. De enige waar het vanaf het begin goed mee klikte was mijn chef Leon S.
    Hij zag iets in me en wist wat ik kon.
    In het begin duwde men mij het programma Acces 1.0 in handen en ik moest een database maken waar de boeken en de programma's in stonden. Dat ik op het archief gewerkt had kwam nu van pas. Het systeem van het inrichten van een bibliotheek kopieerde ik rechtstreeks van mijn vorige werkgever. Je doet nooit wat voor niks in je leven. Alles heeft een doel.
    Ik begon er aan, mijn kennes van DBase voor Apple Macintosh, hielp me er bij, want het programma van Microsoft was identiek hetzelfde. Ook hier weer Bill Gates kan zelf niks bedenken alles wordt gestolen, maar dit terzijde. Ik maakte een database met er aan gekoppeld een uitleenprogramma van boeken. En langzaam maar zeker begon het blad zich te keren. Men kreeg steeds meer respect voor me en zelf dhr. Eurlings kreeg ik op mijn hand. Toen dhr. le Nobel een uiterste poging te doen om me er uit te werken door mijn chef en directeur Eurlings met een ultimatum te komen hij er uit of ik eruit, koos men mijn kant. Ik heb toen gezegd dat ik helemaal niet wilde dat hij wilde in tegendeel zelfs. Het is goed gekomen met mij en Marcel Le Nobele, ik ben met hem gaan praten, wat andere partijen niet lukte, lukte mij wel. Ik kon zelfs heel goed met hem overweg. We hebben ook veel dingen samen gedaan en toen ik op het centraal bureau werkte en hij moest daar iets doen, kwam hij altijd een uurtje met mij kletsen, even met iemand kletsen, want dat deden weinigen met hem en hij had dat heel hard nodig.

    Op het centraal bureau ging ik na 3 maanden werken. Eerst voor 2 dagen in de week, dat werd in de loop van de jaren 5 dagen per week. Daar heb ik een apart hoofdstuk aan gewijd. Op het centraal bureau zat de hoofddirectie van de hogeschool. Voorzitter van het college van bestuur. in ie tijd dhr. van Giesel. Maar ook de hoofden van de diensten. zoals financiën. Ik werkte bij de dienst O&O, onderwijs en onderwijsontwikkeling. Mijn chef was dhr. Kleijnen. Zie het hoofdstuk
    Centraal bureau

    Ik raakte 26 januari 1999 zwaar overspannen. Toen ik bij het Riagg in behandeling was heeft men mij gevraagd om dat stuk over het
    Centraal Bureau te schrijven. Daarnaast heeft men mij gevraag om een stuk over mijn werkzaamheden op een dag te beschrijven. De dag die ik beschrijf is geweest eind september 1998. Ik was toen al in dienst van de hogeschool.

    Nadat ik het stuk geschreven had over het Centraal Bureau, meende mijn toenmalige begeleider dhr. J. Gerritse dat dit een mooi stuk zou zijn om als praatstuk te gebruiken naar de Hogeschool toe. Dat was een misrekening. Na het lezen van het stuk wilde mij niet meer terug. In het stuk was ik te veel een klokkenluider die de vinger op de zere plekken van de hogeschool legde en dat kon niet, in de macho-cultuur van de toenmalige directie. Het leidde uiteindelijk toet mijn ontslag. Die voor de rechtbank werd uitgevochten. Als gouden handdruk kreeg ik 150.000 gulden. Ik had recht op 17.000 gulden, maar de rechter vond dat men zeer slecht met mij was om gegaan en hij zei al in zijn voorwoord dat hij deze zaak anders zou behandelen als hij een zaak normaal zou behandelen. Mijn advocaat had dit nog niet meegemaakt. Ik had maar 5 maanden echt gewerkt voor de hogeschool volgens de wet dan, daarna nog 22 maanden tot de rechtszaak. dus nog geen 3 jaar, dan heb je recht op een jaar aanvulling op je WW naar 78 %, dat zijn 5000 gulden in mijn geval.




    Werken op het centraal bureau van de hogeschool was niet makkelijk. Ik raakte 26 januari 1999 zwaar overspannen. Toen ik bij het RIAGG in behandeling was, vroeg men mij om alles op papier te zetten. Dat heb ik gedaan. Hieronder mijn relaas.

    Zoals U weet ben ik sinds 26 januari ziek thuis. Voordat ik de oorzaak hier van aangeef wil ik eerst in een kleine chronologische volgorde aangeven hoe ik op de Hogeschool terecht ben gekomen en dan hoe het zover is gekomen dat ik nu ziek thuis ben.

    Januari 1993 ben ik begonnen als applicatiebeheerder op de PABO een onderdeel van de toenmalige Hogeschool Heerlen via een banenpoolregeling.
    In maart van dat jaar kreeg ik de vraag gesteld door Leon Souren of ik bereid was om enquêtes te ontwerpen voor de Hogeschool Heerlen.
    Dit leek me wel wat en ik ben dat gaan doen op het centraal bureau van de Hogeschool Heerlen op de apollolaan .
    De toenmalige chef, waar ik het werk van ging overnemen, was Dhr. J. Kleijnen. De ondersteuning die ik op dat moment kreeg om het programma onder de knie te krijgen was in een woord miserabel. Met autodidactische methode heb ik het toch onder de knie gekregen. Zo goed zelfs, dat ik de fabrikant van het programma, de fouten opschreef en zij daarop met een nieuwe verbeterde versie kwamen.

    Het werk wat ik 2 dagen deed op het centraal bureau was in de ogen van de Banenpool commercieel en niet additioneel. Ik moest een vrijstelling krijgen van de Banenpool om dit werk te mogen doen. Deze vrijstelling kwam omdat men dacht dat dit een kans kon zijn voor vast werk.

    Na een jaar wilde men de overeenkomst stilzwijgend verlengen. Hiermee ging ik niet akkoord. Ik vond dat als ik goed was, en dat oordeel lag aan mijn toenmalige chef en bestuurders, dat ik in dienst genomen moest worden van de Hogeschool Heerlen. Daar werd geen notie van genomen. Op het moment dat ik openlijk ging solliciteren naar een vergelijkende functie bij de Hogeschool Eindhoven, kwam er schot in de zaak. In augustus, tijdens mijn vakantie, kwam dhr. J. Kleijnen mij thuis een jaarcontract aanbieden. Dit vond ik zelf te weinig en heb toen zelf een voorstel gelanceerd dat naar onderhandelingen leidde er toe dat ik in maart 1995 in dienst zou komen van de Hogeschool de onderhandelingen daarover werden dd 5 september 1994 afgerond.

    Maart 1995 kwam en ging voorbij, zonder dat ik een tewerkstelling kreeg ondanks dat dit overeengekomen was. Na enige tijd heb ik maar weer aan de bel moeten trekken, vanzelf gaat niks. Na wederom overleg werd er een nieuwe overeenkomst gesloten met de volgende inhoud. Ik kreeg naast de uitkering van de banenpool 1000 gulden extra per maand. Bovendien kreeg ik dat met terugwerkende kracht, maar dat bedrag werd in natura in de vorm van een Apple-computer uitbetaald.

    Vanaf 1 januari 1996 kreeg ik een volledige aanstelling bij Contractactiviteiten. Met de restrictie dat ik binnen 3 jaar in dienst werd genomen van de Hogeschool Limburg, want op die zelfde datum is de Hogeschool Heerlen gefuseerd.

    Ik kreeg een Directeur dhr F. Janssen en mijn chef bleef dhr. J. Kleijnen, onterecht wat bleek na bijna drie jaar, maar later hierover meer.
    Wat het werk in die periode betreft. Het begon met 2 dagen en 47 enquêtes per jaar alleen ontwerpen en inlezen. En groeide uit naar 5 dagen 124 enquêtes ontwerpen en 150 enquêtes inlezen en analyseren. Een totaal scheve verhouding als men het gaat omrekenen. Als ik 47 enquêtes omreken naar 5 dagen omreken kom ik op 118 enquêtes per jaar. Alleen ontwerpen en inlezen.
    In de begintijd kwamen de klanten bij dhr. Kleijnen. De planning van het werk deed ik niet ik maakte geen analyses en ik corrigeerde ook niet de enquêtes. Wel bedacht ik een ander systeem van het ontwerpen van enquêtes. Ging de enquêtes inventariseren in een zelf gemaakte database, maakte databases voor derden en ging collegae ondersteunen in het gebruik van programma’s . Na een tijdje nam ik ook het SPSS gedeelte over van de dhr. Kleijnen ook hierbij heb ik weinig tot geen ondersteuning ondervonden. Ik heb gewoon in de beginperiode af en toe eens meegekeken. Zo moeilijk leek me dat niet. Toen ik ook de analyses ging doen kwamen de klanten ook meer en meer rechtstreeks naar mij toe. De planning van mijn werk kwam dus ook steeds meer op mijn schouders te liggen.
    De plaats in het team van O&O voor de fusie was redelijk te noemen. Er was regelmatig werkoverleg en ik had ook het idee dat als een uitslag van een enquête niet goed was dhr. Kleijnen afgaande op mijn advies de desbetreffende opdrachtgever daarop attendeerde.
    Een totaal overleg met alle medewerkers van de toenmalige dienst was er misschien wel, maar ik maakte daar geen deel van uit.

    De plaats in het team van O&O na de fusie was zeer slecht. Werkoverleg ging achteruit. Gezamenlijk overleg binnen de dienst was er wel, maar ik werd nergens bij betrokken.
    Ik had het idee dat ik het wormvormig aanhangsel was van de dienst. Diverse keren heb ik dhr. Janssen hierop geattendeerd. Hij beloofde wel van alles, maar hield zich nooit aan de afspraken. In het schooljaar 1997-1998 heb ik zelfs een volledige agenda gekregen van de overlegdatums van de dienst O&O, een uitnodiging heb ik helaas nooit ontvangen. Ook heb ik diverse keren een functioneringsgesprek aangevraagd. Er werden wel steeds toezeggingen gedaan, maar in de periode dat ik bij Contracting werkte heb ik nooit een functioneringsgesprek gehad. We praten hier toch over een periode van 2 jaar en 8 maanden. Ik heb me zelfs laten overhalen om bij de heer Janssen thuis zijn nieuwe computer te installeren, zoekende naar een mogelijkheid om het contact te verbeteren. Ook deze poging ving bot. Het tegendeel gebeurde. In het voorjaar van 1997 kreeg ik te horen van dhr. Janssen dat het niet noodzakelijk was mij binnen de beloofde drie jaar in dienst te nemen. Volgens hem was de overeenkomst op twee manieren uit te leggen. Op initiatief van ondergetekende is er toen een bijeenkomst geweest op 6 maart 1997, het verslag is gedateerd op 22 april 1997 met het kenmerk: OPT\VC.01 . Dit verslag heb ik laten ondertekenen door dhr. Janssen en dhr. Bijsmans om eindelijk na meer dan 3 jaar af te zijn van een slepende en slopende procedure. De punten onder het kopje “Functiebeschrijving” zijn nooit uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde termijn.

    Dhr. Kleijnen die na later bleek onterecht mijn chef was. Kon deze opdracht naar mijn belevingswereld niet waarmaken. Op de momenten dat ik een chef nodig had was hij er voor mij niet, kwam nooit voor me op in kritieke situaties en beloofde veel en deed weinig ook haalde hij op ongewenste tijden mijn hele werkplanning door elkaar, omdat hij naar derden beloftes deed die hij niet kon waarmaken, en hij mij de kastanjes uit het vuur liet halen.
    Ik ben normaliter een erg zelfstandig werkende persoonlijkheid. Men hoeft mij niet te zeggen wat ik moet doen. Het is zelfs zo dat als ik niks te doen heb aan de bel trek. Ik werk graag en heb ook plezier in het werk wat ik doe.

    Vb1:
    Maar werk moet georganiseerd zijn. Zeker het werk wat ik doe. In de loop van de tijd kwam zeker 95 procent van de klanten rechtstreeks naar mij. Een enkeling ging nog naar dhr. Kleijnen. Hij maakte dan afspraken met die mensen, en dan kwam het regelmatig voor dat ik met opdrachten, waar termijnen en afspraken op zaten, opzij moest zetten, omdat hij mijn chef was en zijn afspraken voorgingen volgens dhr. Kleijnen. Op den duur een onwerkbare situatie.


    Vb2:
    In het voorjaar van 1997 kreeg ik nieuwe software. De onderhandelingen met de leverancier heeft ondergetekende gevoerd. Dit leverde de Hogeschool een voordeel op van 9000 gulden, maar dit laatste terzijde.
    Ik heb ruim van te voren de IT-Dienst van de Hogeschool gevraagd om aanwezig te zijn bij de installatie of om de gegevens te verstrekken van de computer zodat het installeren uitgevoerd door de firma Farrington, soepel zou verlopen. Dit werd geweigerd door de IT-Dienst. Ik heb toen dhr. Kleijnen gevraagd actie te ondernemen, ook dit werd geweigerd. De installatie heeft die dag onnodig lang geduurd. Om 18.55 hebben we toen het gebouw verlaten en de man van Farrington moest een dag extra terug komen.
    Het programma werkte in het begin niet zo als het werken moest. Dit had als oorzaak dat naast het programma voor de enquêtes te ontwerpen ook de programmaas van Microsoft moesten staan. De IT- Dienst weigerde hieraan mee te werken omdat het om een stand-alone situatie ging. Het heeft 6 weken van spanning en dreiging met: “ik pak me de ziekenkaart” voordat dhr. Kleijnen initiatieven ondernam om iets te doen aan de situatie.

    Vb3:
    Zoals U weet werd het Centraal Bureau uitgebreid na de fusie. Enkele mensen moesten verhuizen. Een van die mensen was ik. Ik maakte hier geen bezwaar tegen mits de kamer die ik zou krijgen niet kleiner was. Dit werd mij gegarandeerd door dhr. Schrijer. Na eigen metingen bleek de kamer een stuk kleiner te zijn. En kon ik geen bezoek meer ontvangen, omdat de apparatuur die ik had te veel ruimte innam. Een verzoek aan dhr. Kleijnen om te vragen of ik daar kon blijven zitten, werd geweigerd. Hij zei dat dhr. Heijenrath hem verteld had, dat ik daar weg moest. Ik heb navraag gedaan bij dhr. Heijenrath. Het verhaal bleek niet te kloppen.

    Vb4:
    In het voorjaar van 1998 krijg ik grote problemen met mijn computer. Hij viel zo wat 8 maal plotseling uit op een dag. Dit gemeld aan de IT-Dienst en gezegd dat ik het vermoeden had dat er iets met de videokaart was. Tevens aan dhr. Kleijnen gevraagd of ik niet in aanmerking kon komen voor een nieuwe computer. Ik werkte voor derden en de verdiensten daarvan moesten ongeveer op 9000 gulden liggen geld genoeg voor een nieuwe betere computer, was mijn redenering. In elk daaropvolgend werkoverleg dat onderwerp aangekaart. Men deed niets, men beloofde wel van alles, maar deed niets. Toen de hogeschool ging verhuizen weer gevraag of ik niet in aanmerking kon komen voor een van de nieuwe Compaqs, ook met dit verzoek werd niets gedaan. In de eerste week dat ik na de verhuizing met mijn oude computer werk, gaat de videokaart kapot. IT-Dienst gebeld en ik krijg een nieuwe videokaart. Weer aan de bel getrokken voor een nieuwe computer, want hij viel nog altijd 8 maal op een dag uit en dan ben je halve enquêtes kwijt en kun je dus weer hele stukken opnieuw doen.
    Voor de vakantie heb ik al mijn hart vastgehouden toen ik voor de Gemeente Landgraaf een bevolkingsenquête moest doen toen er 32500 blaadjes verwerkt moesten worden, als hij toen was uitgevallen dan was de ramp niet te overzien zijn geweest.

    Maar nu zitten in de eerste week na de verhuizing twee dagen nadat de videokaart vernieuwd was, gaat mijn intern geheugen kapot. Nieuw intern geheugen gekregen, weer aan de bel getrokken bij dhr. Kleijnen en dhr. Janssen. Een week daarna zit ik te werken, valt plotseling de stroom uit. Het secretariaat mijn kamer en de kamer van Dhr. Janssen hadden geen stroom. Ik ben toen naar Cor Bovens gestapt om te vragen waar de zekering zat. Na een uur hadden ze die gevonden en nieuwe erin gezet. Toen ik mijn computer wilde opstarten deed hij het niet. De voeding was doorgebrand. Weer naar dhr. Janssen gegaan met het verzoek dat ik toch dringend een andere computer nodig had. En toen is pas Dhr. Bijsmans erbij betrokken. Met het verzoek dat ik zo snel als mogelijk een nieuwe computer zou krijgen. Twee dagen na de voeding is me nog de koeler van de processor kapot gegaan. Die is daarna ook nog verwisseld. Of de processor daar nog een klap van heeft meegekregen weet ik niet, maar als de koeler niet werkt wordt dat ding te warm, zeker bij een pentiumprocessor die 43 Watt per uur verbruikt. De nieuwe computer heb ik pas half januari gekregen. En als ze niet toevallig een ouwe computer nodig hadden voor de archivering, had ik hem nu nog niet gehad. Want de directeur van de dienst O&O heeft daar geen bemoeienis in gedaan, dat kwam alleen maar omdat dhr. K. voor zijn secretaresse een computer nodig had.

    Vb.5
    En dan nog iets, ik heb anderhalf jaar rondgelopen met een oogontsteking. Van alles geprobeerd 2 maal naar een oogarts, druppeltjes, zalfjes, diëtiste enz. niets hielp. Het probleem voorgelegd aan dhr. Kleijnen. Gevraagd of mijn jaloezieën niet eens schoongemaakt konden worden of dat er regelmatiger gezogen kon worden op mijn kamer niets gebeurde. Dat met die stofzuiger maar zelf geregeld met Els en Tanja. Hielp ook niet echt. In het najaar van 1997 krijg ik de griep, omdat ik steeds heen en weer liep tussen mijn kamer 40 graden boven nul en de ander kamers waar een airconditioner stond. Na die griep moest ik bij dhr. Sprenger (ARBO-dienst) komen. Het probleem van het oog aangekaart en toen pas kwam de hogeschool in beweging en werd het probleem opgelost. Ik kreeg een arm voor de monitor en Dhr. V.d. Sanden gaf mij toestemming om een speciale bril te proberen en dat hielp. Anderhalf jaar stress en pijn omdat andere mensen niks voelen en daarom gewoon niks doen.
    Na de verhuizing de arm weer laten monteren, stond te hoog kon ik dus niet gebruiken. Ik had mijn oude meubels gekregen. Die te smal waren. Mijn directeur gevraagd voor nieuwe meubels, was te duur was het commentaar. Naar Cor Bovens gegaan of hij niet een tafeltje kon laten maken voor achter die een tafel te zetten zodat ik mijn monitor naar achter kon schuiven. Kwam in orde zei hij. We spreken hier van de eerste week september 1998. Toen ik half november, na mijn nierstenen, terug kom op de hogeschool nog steeds geen tafel. Weer naar Cor. Tafeltje Vincent? Wat voor een tafeltje. En daar kan ik ook nog begrip voor opbrengen ook, zeker als je met zo’n hectische verhuizing bent belast, dan schiet zo’n tafeltje er wel eens bij in. Het tafeltje werd gemaakt. Op een dag nodigt Marjan Edelbroek (directie secretarresse) mij uit om in het restaurant te gaan eten. Onder het eten vertel ik het verhaal van het tafeltje. Moet je nieuwe meubels hebben Vincent, vroeg zij mij. Ja natuurlijk als dat zou kunnen, maar ik heb er een hard hoofd in, zei ik nog. Maak je maar geen zorgen dat regel ik wel. Ze is naar Dhr. Janssen gegaan of hij het goed vond. Hij vond het goed. Marjan heeft ook nog gevraagd of dhr. Janssen dat met Dhr. Schrijer kon regelen, nee dan laat die meubels maar zitten was het antwoord.
    Marjan heeft het geregeld en in no time had ik nieuwe meubels. Het kan dus ook anders binnen de hogeschool, als je maar de juiste mensen aanspreekt, of zit ik bij de verkeerde afdeling?
    En toen ik de nieuwe meubels en in die zelfde week mijn nieuwe computer kreeg is bijna iedereen komen kijken naar mijn kamer en me complimenteren met mijn mooie kamer, ik was er trots op, zelfs Dhr. Kleijnen kwam. Mijn directeur liep elke morgen langs zei mij niks meer en dus al helemaal niets over mijn kamer.


    Deze voorbeelden zijn maar een greep uit tientallen andere voorbeelden. Ik wil ik alleen maar aangeven dat ik onder een chef en directeur iets anders zie. Het liefst regel ik me alles zelf, maar sommige culturen binnen de hogeschool laten dit helaas niet toe.

    Op 1 augustus 1999 werd ik dan in dienst genomen van de Hogeschool Limburg. Het eerste wat ik me geregeld had was dat ik meteen een functioneringsgesprek wilde hebben, ook omdat het eerder aangehaalde punt uit dat verslag met het kenmerk: OPT\VC.01 niet was uitgevoerd. Op 7 september 1999 had ik eindelijk mijn functioneringsgesprek. Van te voren was er een agenda opgesteld en dhr. Janssen vroeg aan mij of dhr. Kleijnen aanwezig kon zijn bij het gesprek. Met dit laatste ben ik niet akkoord gegaan, want het betrof toch mijn functioneringsgesprek.
    In het begin van het gesprek zei ik tegen dhr. Janssen dat ik de indruk had gekregen, dat ik de laatste 2 jaar en 8 maanden genegeerd werd door hem en dat ik niet de indruk had dat ik een lid was van de dienst O&O. Tot mijn stomme verbazing zei hij dat, dat ook zo was en hij eigenlijk nooit had geweten wat hij met mij aan moest binnen de dienst O&O.
    Nadat ik hem de knelpunten van mijn werksituatie verteld had en dat ik graag wilde dat maar een persoon mijn planning zou doen en het liefste zou ik dat zelf willen doen , kreeg ik als antwoord dat hij met dhr. Kleijnen daarover niet wilde spreken. Op de vraag waarom, kreeg ik geen antwoord. Als het in een gesprek aan de orde kwam, dan zou er pas over gesproken worden.
    Ik heb hier eigenlijk geen woorden voor. Dat dit allemaal kan, begrijp ik niet. Het functioneringsgesprek is onder andere in het leven geroepen om het functioneren tussen directeuren, chefs en werknemers te bevorderen.

    Op de morgen van 9 september heb ik dan het gesprek over mijn functiebeschrijving. Tijdens dit gesprek nam ik dus zelf het initiatief om het probleem van de planning aan de orde te brengen. Meteen werd er een gesprek georganiseerd dat op 9 september in de middag zou plaats vinden. Ik heb op vijf verschillende manieren geprobeerd mijn probleem naar voren te brengen. Dhr. Janssen had niet aanwezig hoeven te zijn want hij heeft al die tijd niks gezegd. Dhr. Kleijnen wist het verhaal altijd weer zo te omzeilen dat het probleem uiteindelijk weer bij mij op het bordje lag. Op het einde heb ik alleen nog maar gevraagd of ik de planning zelf kon doen, en daarmee ging men akkoord. Zowel dhr. Kleijnen als dhr. Janssen.

    Op 10 oktober 1998 krijg ik last van een niersteen. Ik meld me op 12 oktober ziek.
    Omdat enkele studenten die moesten afstuderen, in de problemen kwamen heb ik me de software thuis laten bezorgen. Zelfs toen stond ik in dienst van mijn klanten en de Hogeschool. Na enkele weken heeft dhr. Heijenrath mij opgebeld. Iets wat ik zeer op prijs stelde. Ik heb met hem gepraat over hoe het met me ging en over de problemen die ik had bij de dienst O&O. In dit gesprek vertelde hij me dat Jan Kleijnen niet mijn chef was, maar gewoon een collega binnen de dienst O&O. De directeur dhr. Janssen heeft mij dus 2 jaar en 11 maanden mij een chef gegeven zodat hij geen last van me had. Iemand die geen bevoegdheid had om chef te zijn. Ik had heel wat problemen minder gehad als ik dat eerder geweten had.
    De hele film van de laatste drie jaar kwam weer voorbij. Want tijdens mijn niersteen was die al eens een keer voorbij gekomen. De pijn van een niersteen is zo hevig dat je denkt dat je tijd op deze wereld voorbij is. Alles wat je mee gemaakt heb trekt aan je voorbij. En dan komt er plotseling de mededeling dat dhr. Kleijnen de afgelopen drie jaar niet mijn chef is geweest. De hele film van de laatste drie jaar komt weer terug, maar dan met een heleboel woede en ergernis. Alle stress met die man was gewoon niet nodig geweest. Al die keren dat hij mij voor schut zette was gewoon niet nodig geweest. Ik kan me het voorval niet meer precies herinneren maar ik heb eens de hulp van Bijsmans moeten inroepen, omdat ik anders toen al overspannen was geraakt van die man. Bijsmans zei me toen; dat ik eerder naar hem toe moest komen. Maar waarom heb ik dan een chef, als ik voor iets gedaan te krijgen, naar Bijsmans moet gaan, dacht ik toen.

    VB
    Het vorig jaar komt een docent naar me toe, ik zal hem XX noemen, voor het maken van 2 enquêtes op 2 verschillende tijdstippen. De eerste enquête ging hartstikke goed en de heer XX was zeer tevreden over mijn werk.
    Een paar maanden daarna kwam hij met de tweede enquête. Ik hou een voorbespreking met hem over die enquête en spreek met hem de layout af. Het is een hele grote enquête van ongeveer een 750 vragen. Ik heb XX nog medegedeeld dat ik nu in een hele drukke periode zat, maar binnen 3 weken had ik hem klaar. Dat was wel goed zei XX en vertrok. Ik ben een erg commutatieve persoonlijkheid en heb dus met dhr. Kleijnen constant gecommuniceerd hierover, ook omdat ik tijd moet krijgen om zo een grote enquête te maken. XX was op een woensdag bij me geweest. De maandag daarna wilde ik aan de enquête beginnen, toen Dhr. Kleijnen mijn kamer op kwam, met 2 enquêtes van de HTS waarover van tevoren totaal geen overleg over had plaatsgevonden. Vincent deze enquêtes moet je het eerste maken. Die moeten vrijdag klaar zijn. Ik zeg Jan dat gaat niet, want ik zit met die enquête van XX en ik hem beloofd hem zo vlug als mogelijk te maken. Heb ik niets mee te maken Vincent ik ben je chef en deze gaan voor. Ik probeer nog met dhr. Kleijnen te praten: XX gaat moeilijk doen als ik die niet het eerste maak. Als XX moeilijk doet, stuur je hem maar naar mij; zei dhr. Kleijnen. Dhr. Kleijnen vertrok en ik legde de enquête van XX weg en wil aan de enquêtes van dhr. Kleijnen beginnen. Gaat de telefoon, ik pak op, heb ik aan de andere kant van de lijn XX. Vincent ben je al met mijn enquête begonnen. Ik zeg: ja, maar ik moest eerst twee enquêtes voor dhr. Kleijnen maken dat was er plotseling tussen gekomen. Toen begon XX: Vincent dat kan niet want ik moet die van mij deze week hebben anders kom ik in tijdnood. Ik zeg XX ik heb nog twee weken de tijd om dat ding te maken, daar had hij niks mee te maken en zo ging dat door 10 minuten gezeur aan mijn kop. Ik heb op het laatst tegen hem gezegd: XX hoe langer we praten hoe later dat het wordt dat ik aan je enquête kan beginnen. Hij hing toen op. De enquêtes van dhr. Kleijnen weer aan de kant gelegd en begonnen aan de enquête van XX. Ik werk daar bijna 3 dagen aan. Woensdagmiddag stuur ik de enquête op. Toen begonnen aan de enquêtes van dhr. Kleijnen, want die moesten ook nog voor vrijdag klaar. Donderdags belt XX op, bedankt me dat ik dan toch nog de enquête gemaakt heb en vraagt of hij het vrijdags kon langs komen omdat er kleine dingen verandert moesten worden. Ik zeg dat hij vrijdag om 12 uur kon komen. Toen ik de enquêtes van dhr. Kleijnen bij hem aflever zeg ik nog tegen hem dat XX de dag erna zou komen. Toen kreeg ik weer de bevestiging dat als XX moeilijk deed dat ik hem naar hem kon sturen.
    Vrijdag om 12 uur kwam XX. Het was geen kleinigheid wat verandert moest worden, de hele layout moest anders, ik heb hem er nog op gewezen dat ik dan een nieuwe enquête moest maken en dat ik daar weer een termijn van 3 weken voor kreeg. Bovendien was de nieuwe layout niet afgesproken in de voorgesprekken. Had hij niks mee te maken vond XX. Na drie kwartier verwensingen en schelden van XX kreeg ik er genoeg van en stuurde hem door naar dhr. Kleijnen. En wat gebeurd er, ze komen met hun tweeën terug en beginnen mij met hun tweeën uit te schelden. Waar iedereen mee kan luisteren voor het hele CB werd ik eventjes voor schut gezet. Door iemand die achteraf alleen maar een collega blijkt te zijn. En wat ik het ergste vind. Stel ik was verkeerd geweest, dan nog had hij voor mij moeten opkomen en had dat achteraf nog altijd in een gesprek rechtgezet kunnen worden. Maar niets van dit alles, spreek je hem er nu over aan dan kan hij zich niets meer herinneren, of hij zegt ik heb hem van te voren niet ingelicht over XX. En in die drie jaar zijn voordurend van die incidenten geweest. Ik heb er een maagzweer van gekregen, een oogontsteking en een niersteen. En allemaal voor de ergernis die niet nodig was. Ik heb er geen woorden voor.

    Ik heb sinds ik werkzaam ben (1968) geleerd om over je werk te communiceren. Als je een auto gemaakt hebt, kom je altijd bij je chefmonteur verantwoording af te leggen over dat wat je gedaan en niet gedaan hebt. In het autovak hangen daar mensenlevens vanaf als je het niet zou doen. Dat is mijn leerschool geweest en ik weet niet beter. Ik communiceer altijd over dat wat ik doe.

    Dhr. Kleijnen is een vriendelijke man, maar hij geeft zelf toe dat 15 jaar geleden toen hij nog voor de klas stond de studenten over hem heen liepen. Als ik hoor dat hij met lood in de schoenen naar mij toekomt om iets te vragen, dan is dat niet alleen bij mij zo. Zolang het niet in zijn belang is heeft hij loden schoenen, of hij mij iets moet vragen of dhr. Janssen of dhr. Hursel of dhr. Bijsmans dat maakt niks uit. Als ik hem in een werkbespreking iets vraag en hij zegt dat toe, dan duurt het weken voordat hij het uitvoert. Want iets vragen aan anderen gebeurt dan met loden schoenen. Er gebeurde alleen maar iets als ik dreigde met thuis blijven. Ik vind dit geen gezonde basis. Ik had al die weken niet hoeven te wachten. Hij was gewoon mijn chef niet

    Ik ga nu maar verder met het verhaal, want als ik al mijn woede op papier moet zetten schrijf ik nog een paar kantjes vol

    Ik ben na een maand thuis zijn weer gaan werken. Eigenlijk te vroeg na achter af bleek. De steen die ik had was verbrokkeld en was pas helemaal weg na twee weken dat ik aan het werken was. Ik was gaan werken, omdat de week erna een open dag was in het nieuwe gebouw, voor de eerste keer. Omdat daar een enquête voor ontwikkeld was, zou het interessant geweest zijn om achteraf de faculteiten naast elkaar te kunnen leggen. Op de Faculteit TM na werkte iedereen mee en waren ze blij dat ik weer terug was.

    U kunt begrijpen dat ik een stapel werk had toen ik terug kwam. In overleg met dhr. Kleijnen werd er een prioriteitenlijst aangelegd.
    De woensdag voor de open dag komt Taco Bischereau, een medewerker van de FD, met een opdracht voor een enquête. Ik heb hem gevraagd of deze enquête snel gemaakt moest worden, of dat hij even kon wachten. Hij deelde mee dat de enquête even kon wachten. Ik ging dus verder met het afwerken van prioriteitenlijst.

    De vrijdagmorgen van die week zit ik op het secretariaat mijn E-mail te controleren. Ik was nog steeds niet aangesloten op het netwerk en ik moest dit meestal doen op een andere computer. Meestal koos ik hiervoor de computer van Jaqueline Sarac.
    Op een gegeven moment komt dhr. Kleijnen het secretariaat op met de mededeling dat ik de enquête van de FD (Bischereau) het eerste moest maken. Ik deelde hem mee, dat ik daar afspraken over gemaakt had, met dhr. Bischereau en dat de planning van mijn werk bij mij lag, want daar waren in september afspraken over gemaakt. Met die afspraken had hij niks mee te maken want hij was mijn chef en in die persoonlijkheid moest ik doen wat hij zei. Ik deelde hem mee dat dhr. Heijenrath mij verteld had dat hij na de fusie nooit mijn chef is geweest, maar dat men mij in die waan had gelaten. Daarop volgde het antwoordt dat, dit niet zo was want dhr. Heijenrath wist niet waar hij het over had, volgens dhr. Kleijnen. Ik heb hem nog gezegd dat hij dan maar eens een gesprek moest gaan voeren met dhr. Heijenrath en dat ik de FD wel zou opbellen. Dit laatste heb ik gedaan. De enquête was om drie uur in die middag klaar. Om vier uur is Henny Stijnen de enquête komen halen en bedankte zich voor de snelle service. Ik had op dat moment het incident vergeten. Hoewel ik het zeer onbeschoft vond dat men mij aansprak op die manier waar iedereen bijzat. Hij had ook kunnen zeggen toen hij het secretariaat binnen kwam: “Vincent heb je even tijd voor mij, kun je naar mijn kamer komen, want ik moet iets met je bespreken.” En dan was ik niet voor paal gezet voor alle secretaressen, die de situatie niet kennen en dan al snel verkeerde conclusies trekken.

    De maandag daarna precies om half vijf kwam dhr. Kleijnen bij mij de kamer op. Ik stond op het punt om naar huis te gaan. Ik was op die dag om 8 uur begonnen en ik moest om 5 uur thuis zijn omdat ik een afspraak had.
    Hij moest me even spreken over het incident van die vrijdag j.l. Ik deelde hem mee dat ik geen tijd had en dat ik naar huis moest. Daar had hij niks mee te maken ik moest hier blijven. Hij begon met het feit dat hij nog altijd inbreuk moest kunnen doen op mijn planning. Ik deelde hem mee dat dit zonder overleg niet kan. Op 9 september waren daar afspraken over gemaakt. Daar had hij niets me te maken, want hij was mijn chef. Ik deelde hem mee dat volgens dhr. Heijenrath hij mijn chef niet was. Met dhr. Heijenrath had hij ook niks te maken. Want dat waren afspraken tussen dhr. Janssen en hem. Zo ging het gesprek een hele tijd op en neer. Hij stond niet toe dat ik de kamer verliet. Ik heb nog een poging gedaan door te zeggen. Laten we wachten tot Frank terug is (want die was op dat moment ziek), ook dat hielp niet. Het verhaal begon weer van vooraf aan. Ik heb mijn tas dicht gedaan, mijn jas gepakt en tegen hem gezegd, “het is ook altijd weer het zelfde, Sie haben es wieder nicht gewust. Ik pak me de ziekenkaart want dit houd ik niet vol”. Hij is me nagelopen tot in de fietsenstalling, heeft daar nog een scène gemaakt, waar ik alleen tegen hem gezegd heb: Jan sodemieter op, want ik heb geen tijd. In de Zuster Xavierstraat ben ik Jos Laeven tegengekomen van de Pabo. Bij hem, en bij hem kan dat ook, heb ik mijn emoties de vrije loop gelaten.
    In de loop van de avond tegen 9 uur heb ik een vriendin gebeld, om 1 uur in die nacht hingen we pas op ik had drie uur iemand nodig om een beetje op rust te komen. Die nacht heb ik geen oog dicht gedaan. De dag erna toen dhr. Kleijnen op mijn kamer kwam, ik was toch weer gaan werken, want mijn klanten komen op de eerste plaats, heb ik gezegd dat ik er niet meer over wilde praten totdat Frank terug was. Dat was ook niet nodig zei hij toen, want het bestuur was al op de hoogte dat ik volgens zijn zeggen Hitler tegen hem gezegd had.
    Ik heb nooit en te nimmer Hitler tegen hem gezegd, dit is een van de belangrijkste oorzaken dat ik nu thuis zit. Ik kan vanuit mijn karakter niet tegen onrecht. En vals beschuldigd worden is zo een onrecht.
    De dag daarna kwam nog iemand vragen voor mijn kamer deur hoe het met dhr. Kleijnen ging. Hoe het met mij ging was niet belangrijk, dat doet pijn.
    Toen dhr. Janssen terug kwam, heb ik meteen met hem gesproken en hem exact verteld wat ik gezegd heb. Er kwam een gesprek tussen dhr. Kleijnen, dhr. Janssen en ondergetekende. In dat gesprek ontkende dhr. Kleijnen alles. Het waren allemaal verzinsels. Het incident bij het secretariaat was niet gebeurd en hij was mij ook niet gevolgd tot in de fietsenkelder. Ik heb toen gezegd dat wat het secretariaat betrof wel een van de secretaressen die toen aanwezig waren erbij wilde halen, en wat de fietsenstalling betrof wilde ik wel die docent er bij halen die toen aanwezig was. Hierop gaf hij die incidenten toe. Maar het was natuurlijk niet zo gegaan zoals ik dat zei. Hij was steeds de vriendelijkheid zelf geweest en ik het varken. Omdat ik wilde bewijzen dat hij zich vaker dingen niet kan herinneren en dat hij zich wel vaker niet aan afspraken hield. Heb ik een voorbeeld gepakt van een werkoverleg dat ik begin september met hem gehad heb. Hij zou mij 15 september drie enquêtes aanleveren en 22 september nog een enquête. De enquêtes heeft hij die datums nooit aangeleverd. Hierop zei dhr. Kleijnen dat hij die afspraken nooit had gemaakt. Ik heb me op dat moment even verontschuldigt, ben naar mijn kamer gelopen om het briefje te pakken waar hij met zijn eigen handschrift de datums opgeschreven had. Het was even stil in de kamer van dhr. Janssen. Ik had eventjes de ongeloofwaardigheid van dhr. Kleijnen aangetoond. Op die 6 jaar had ik eens een briefje bewaard. Maar de stilte was van korte duur. Het antwoord was dat dit streefdatums waren. Eerst ontkennen dat hij ooit die afspraken had gemaakt en toen waren het opeens streefdatums. Mijn antwoord hierop was, dat ik op streefdatums geen planning kan maken.
    Op einde van het gesprek vond ik dat dhr. Kleijnen zich moest verontschuldigen voor:
    Het incident van die vrijdag.
    Dat hij me onterecht heeft tegen gehouden op de maandag daarna om 16.30 uur.
    En dat hij me daarna voorschut gezet heeft in de fietsenstalling.

    Bovendien vond ik dat het verhaal dat bij het College van Bestuur terecht gekomen was gecorrigeerd werd en naar de juiste propporties terug gebracht werd.

    Ik heb nog opgemerkt dat ik nimmer het woord Hitler in mijn mond heb gehad, en dat ik me best voor die Duitse zin wil verontschuldigen als het College van Bestuur op de juiste wijze werd ingelicht . Ook hier werd niet op ingegaan.

    Er volgde een gesprek met dhr. Janssen apart. In dit gesprek gaf dhr. Janssen mij gelijk de incidenten hadden nooit mogen gebeuren. Dit zou hij ook dhr. Kleijnen in een apart gesprek mededelen werd mij herhaaldelijk verzekert. Echter het verhaal bij het College van Bestuur ging hij niet recht zetten. Ondanks dat ik tegen hem zei dat dit slecht was voor de verhoudingen binnen het team O&O was, bleef hij bij zijn standpunt. Ik kon kiezen of ik een supervisor wilde hebben, ondanks dat ik niet wist wat het inhield en dhr. Janssen mij dit ook niet kon uitleggen heb ik me wel bereid gevonden hierop in te gaan. Je ben nooit te oud om wat te leren dacht ik.

    In de weken daarna veranderde niks. Dhr. Kleijnen ging op de oude voet verder. Ik ben tot viermaal toe met dhr. Janssen gaan praten over het nog steeds het chefgedrag van dhr. Kleijnen en over het rechtzetten van het Hitlerverhaal bij het CvB. Het enige wat hij zei dat ik geduld moest hebben, maar ondertussen kon ik het allemaal niet meer verwerken. Er was mij onrecht aangedaan. De directeur van de dienst had het toegegeven, maar er veranderde niets. Dit kan en kon ik niet begrijpen.

    Op een vrijdag toen ik het in de middag naar de Supervisor zou gaan heb ik bij dhr. Janssen nog eens een poging gedaan om correctie op het verhaal te krijgen. Hij weigerde. Een beetje verstoord liep ik in de middag toen naar buiten. Dhr. K. zag dat en vroeg aan mij of ik ziek was. Ik heb toen gezegd dat ik inderdaad ziek was, maar niet lichamelijk. Ik heb nu geen tijd, om daar verder op in te gaan. De dinsdag daaraan was ik in de middag even op zijn kamer. Ik kom wel vaker bij Dhr. K., omdat ik had gedacht dat hij iemand was die naar twee kanten kon luisteren en ook omdat we dezelfde merk computer hebben. Hij vroeg mij of ik soms privé problemen had. Nee, was mijn antwoord. De problemen lagen binnen de hogeschool. In grote lijnen vertelde ik mijn verhaal. Ik moest niet zeuren zei hij, want ik had Hitler tegen dhr. Kleijnen gezegd en het CvB was bezig met maatregelen tegen mij. Hierop heb ik zijn kamer woedend verlaten. Twintig minuten erna kwam hij bij mij op mijn kamer en eiste dat ik me bij hem moest verontschuldigen. Ik heb hem er op gewezen als hier verontschuldigingen op zijn plaats waren dan moesten die van hem komen. Had hij de moeite genomen om naar mijn verhaal te luisteren? Nee, gewoon veroordeelt, zonder hoor en wederhoor. Vier maal ben ik bij Dhr. K. thuis geweest , in die tijd dat het speelde, om zijn computer in orde te maken en nooit heeft hij enige moeite gedaan om navraag te doen. Ook een hele grote teleurstelling voor mij omdat ik Dhr. K. blindelings vertrouwde, en dan dit.

    Twee weken daarna op vrijdag 22 januari, ben ik naar de supervisor gegaan. Het was de vierde keer en naar vier keer zouden we besluiten of we verder gingen met de sessies. Ik zelf had er wel zin in, want ik vond dat ik daar toch wat leerde en misschien kon hij mij trucjes leren om mij beter te beheersen. En hij vond ook dat we verder moesten gaan. In eerdere gesprekken is er afgesproken dat wat ik daar vertelde, nooit buiten die kamer kwam.
    Dhr. de Smet vroeg aan mij of ik het dhr. Janssen wilde mededelen of dat hij dat moest doen. Mijn antwoord hierop was; dat hij dat moest doen omdat dat vanaf het begin zo afgesproken was. Bovendien had ik de laatste tijd de indruk dat hij me weer negeerde, ik had nieuwe meubels gekregen. Mijn nieuwe computer was aangesloten. Iedereen was even komen kijken, zelfs dhr. Kleijnen, maar dhr. Janssen liep elke dag langs zei geen goeie morgen en kwam nog niet eens binnen.
    Ik heb het die keer nog gehad met dhr. de Smet of het niet beter zou zijn, dat als dhr. Janssen kwam met: heb je even tijd voor me? Hem een agenda voor zo een bespreking te laten maken zodat ik me kon voorbereiden. Dhr. de Smet vond dit een uitstekend idee.

    Dinsdag 26 januari kwam rond 9 uur dhr. Janssen de kamer op met de vraag of ik even tijd had die dag. Ik heb hem gezegd dat ik die week geen tijd had, omdat er PGO was van FD studenten die allerlei onderzoeken doen en ik dan stik van het werk, want die onderzoeken moeten binnen 2 weken plaatsvinden. En dit jaar had ik 5 groepen. Tevens vroeg ik hem of hij mij een agenda kon geven zodat ik me kon voorbereiden. Hierop viel hij zo tegen me uit met woorden: dat ik altijd iets te zeiken had, dat ik hem de laatste tijd zat te negeren en als ik mijn houding niet veranderde zou, hij ver reikende maatregelen tegen mij zou nemen. Hij verliet daarop mijn kamer. Ik kon niet meer, ik was op, na die woede-uitval. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik heb nog geprobeerd om 5 E-mailtjes te versturen dit lukte zelfs niet meer. Het eenvoudigste lukte niet meer. Ik heb nog even gedacht aan de PGO-studenten. Maar het ging niet meer. Geestelijk was ik kapot. Een directeur die mij bijna 3 jaar negeert, dit ook nog toegeeft, beschuldigt mij dat ik hem negeer. Ik probeer mijn houding te veranderen, maar wordt daarop aangevallen. Ik begrijp het niet meer.

    Ik heb me ziek gemeld bij dhr. Janssen en ben naar huis gegaan. Thuisgekomen heb ik eerst nog mijn afspraak afgebeld die ik die middag had en daarna heb ik de Arbo-dienst gebeld en mezelf ziek gemeld en meteen een afspraak gemaakt. Dhr. Janssen heeft me nog vier keer lastig gevallen waar ik geen prijs opstelde. Zelfs in mijn huis was ik niet veilig voor hem.

    In de loop van de week heb ik nog contact gehad met de Supervisor om hem mede te delen dat ik voorlopig wilde stoppen. Ik heb hem nog gevraagd wanneer hij dhr. Janssen had gebeld. Dat was dinsdagmorgen geweest voor 9 uur. Dhr. de Smet is een oud docent van Gedrag en Maatschappij heb ik vernomen van een andere docent van Gedrag en Maatschappij . Dhr. Janssen heeft mij voordat ik aan dat gedoe met die Supervisor begon er op gewezen dat er op geen enkele manier er ooit een verbinding was of is geweest met Dhr. de Smet m.a.w. deze persoon was volkomen onafhankelijk. Ook in dat opzicht heeft hij mij iets voorgespiegeld wat niet op waarheid beruste. Dhr. de Smet en dhr. Janssen waren oud collegae

    Ik ben dus niet thuis gebleven, omdat ik het niet eens was met de HIO studenten.
    Dat verhaal wil ik dan ook nog wel in de juiste proporties terugzetten. Op het moment dat ik zeker was van een vaste aanstelling bij de hogeschool, begin januari 1996, heb ik dhr. Kleijnen verzocht om een vervanger voor mij te zoeken voor het geval dat ik ziek werd.
    Dit verzoek heb ik elk werkoverleg daarna herhaald, tot dat dhr. Kleijnen mij verzekerde dat hij de vraag bij het CvB had neergelegd. Ik heb daarna, omdat ik niets meer hoorde, er nog met dhr. K. over gehad. Hij zei toen tegen mij: Vincent een vervanger voor jou is binnen de hogeschool niet te vinden. Ik heb me er bij neergelegd en er niet verder naar gevraagd.
    Bijna drie jaar daarna ben ik een maand ziek, opeens moet er een vervanging komen. Als het kalf verdronken is dempt men de put. Dhr. Kleijnen komt in een werkoverleg van ons twee, met het voorstel, dat het nu maar eens tijd werd voor vervanging van mij bij ziekte, Ik heb hem toen gezegd dat het overleg daarover niet bij hem hoort te zijn, maar bij Frank Janssen, want hij is de directeur en personele zaken moet hij bespreken. Bovendien had ik het drie jaar geleden al om verzocht dus ik had er geen bezwaar tegen. Ondanks dat, meende dhr. Kleijnen zijn idee over vervanging van mij, te moeten uiten. Ik heb toen gezegd dat ik hierover moet nadenken, maar in mijn eerste reactie had ik liever continuïteit in plaats van HIO studenten, want die HIO studenten was volgens dhr Kleijnen de beste oplossing.

    Ik weet niet meer hoelang daarna, kan 1 of 2 weken zijn kwam dhr. Janssen met zijn bekende: Vincent heb je even tijd? Ik had toen ook geen tijd, maar ben toch op het verzoek ingegaan. Hij deed toen dat voorstel van die HIO studenten, omdat ik het voorstel kende had ik dus ook in die tussentijd een argumentering klaar, waarom ik het geen goed voorstel vond.
    Ik vind en vond dat er continuïteit moet zijn in de vervanger. Ik leidt iemand op, en die student vertrekt na twee jaar. Na die twee jaar moet ik weer iemand opleiden. Ik weet nu al niet meer waar ik de tijd vandaan moet halen om mijn werk klaar te krijgen, en het wordt niet minder. Integendeel, faculteiten worden afgerekend op kwaliteit en een van die instrumenten zijn enquêtes. Ik heb hem voorgesteld iemand te zoeken, die in dienst is van de hogeschool. Ik heb hem zelfs twee namen genoemd. Te weten dhr. Puinen van de PABO, die ook al eens ingevallen is toen het druk was bij de IT-dienst, en ook omdat ik het goed kan vinden met hem bovendien denk ik dat ik hem de software makkelijk kan bijbrengen, omdat hij op de PABO daar ook dagelijks mee bezig is, en ik heb dhr. Rijnders voorgesteld van Gezondheidszorg, omdat deze man de toetsbank doet. Deze man is bovendien erg geschikt, omdat hij ook vanuit die toetsbank weet om te gaan met statistische gegevens.

    Er werden allerlei dingen erbij gesleept om mijn voorstel de grond in te boren, maar er was een moment dat ik hem met zijn eigen argumenten had vast gepraat. Hij wilde niets doen om mijn voorstel te onderzoeken. Ik heb hem nog gevraagd waarom we dan besprekingen houden als van te voren de beslissing toch al vast ligt. Ik had me er bij neergelegd, dat het HIO studenten zouden worden.

    Mijn wegblijven heeft totaal niks te maken met die HIO studenten. Het heeft er alleen maar mee te maken dat een directeur de ene ondergeschikte wel in bescherming neemt en de andere niet.

    Verdraagzaamheid kan men alleen verkrijgen door gelijkwaardigheid van alle mensen. Dit staat ergens in de hal op een bord geschreven. Ik ben het helemaal met die tekst eens.

    Ik wil nog even in gaan op een punt.
    De contacten van enkele mensen van de hogeschool.
    De dag nadat ik thuis ben gebleven 27 januari, heeft dhr. Janssen op mijn antwoordapparaat ingesproken dat hij mij wilde spreken over mijn ziekte. Ik heb daarop niet gereageerd. Om 12 uur stond hij beneden aan de flat aan de deur ik heb 5 maal moeten vragen wie er aan de deur stond voordat hij kenbaar maakte dat hij het was. Hij wilde praten met mij over mijn ziekte. Ik heb hem meegedeeld, door de huistelefoon, dat ik dat niet aan kon. In de middag van die zelfde dag kijk ik om 16.00 uur mijn E-Mail na en vind het onderstaande bericht.

    Beste Vincent,

    Na telefoon en intercom / huisdeur rest mij nog deze weg om met je in
    contact te komen.
    Ik zit met een aantal zeer urgente vragen die betrekking hebben op de
    toelevering van de afdelingsspecifieke gegevens uit het onderzoek voor
    Atrium dat is uitgevoerd door de FD-studenten Cortenraedt en Hulst. Dezen en
    ook Dhr. Wijn (Atrium) zouden uiterlijk vandaag in het bezit moeten zijn van
    de resultaten. Zonder jou hebben wij daar geen toegang tot. Daarom wil ik je
    vragen mij te laten weten of er een weg is om de gegevens uit het
    betreffende bestand (158TOT.DOC) op tafel te krijgen.
    Ik moet voor 14.30 uur de genoemde studenten en Atrium op de hoogte stellen.

    Frank Janssen.


    Ook hierop heb ik niet gereageerd, maar ik voelde me wel bedreigt.

    Maandag 1 februari om 15.00 uur belt dhr. Janssen weer. Toen ik de naam hoorde heb ik opgelegd. Ik heb de Psycholoog van de ARBO-dienst verzocht, of hij hier iets aan kon doen.

    Een paar weken geleden heeft G. K. opgebeld. Hij heeft niet te kennen gegeven dat hij in naam van het CvB sprak. Ik heb begrepen dat hij uit persoonlijke titel met mij sprak. Ik heb hem gevraagd zijn E-mail adres te geven en het aan mij over te laten wanneer ik weer contact met hem opnam.

    Ik heb het volgend E-mail gekregen. Ook hieruit blijkt, dat hij niet als vertegenwoordiger van het CvB sprak.

    Vincent,
    hierbij mijn email adres gK.@knoware.nl. Mede door enkele problemen
    met de imac (opstarten en verbinding met maken met internet) heeft het
    wat langer geduurd. Ik wens je alle goeds en sterkte!
    G.

    Ik mail met enkele mensen binnen de hogeschool. En dat doet me goed. Het draagt bij aan mijn herstel. Het gaat nooit over de hogeschool, maar over een heleboel andere leuke dingen waardoor ik toch het gevoel heb, dat ik er nog bij hoor.



    Alles nog eens eventjes op een rijtje gezet:

    Toen we begonnen op 24 augustus in het nieuwe gebouw was ik een gelukkig en tevreden man. Eindelijk alles in een gebouw. De logistieke problemen waar ik veel mee te maken had in de oude situatie waren voorbij. Ik kon nu gewoon naar de mensen toegaan en dat heb ik ook gedaan. Ik ben me aan iedereen gaan voorstellen. Bij de mensen die ik vroeger alleen maar van de telefoongesprekken kende. Ik was in dienst van de hogeschool wat kon me nog gebeuren. Iedereen die me kende zei me vriendelijk goeie dag, het was net als of alles anders was.

    Maar geluk duurt meestal maar even. Lekker is maar inge vinger lank, zei mijn moeder altijd. En dat was ook zo.

    De eerste twee klappen kreeg ik op 7 september in het functioneringsgesprek.
    De derde klap op die woensdagmiddag 9 september, toen dhr. Janssen geen poot uitstak in het gesprek met dhr. Kleijnen.
    De vierde klap kreeg ik, en die kwam hard aan, toen ik hoorde dat dhr. Kleijnen de afgelopen drie jaar niet mijn chef is geweest, verteld door dhr. Heijenrath. Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Limburg
    De vijfde klap kreeg ik toen ik mijn functiebeschrijving kreeg en deze onafhankelijk liet controleren, met toestemming van dhr. Janssen, door twee mensen op personeelsafdelingen van grote instellingen. Beide zeiden onafhankelijk van elkaar dat ze zoiets slechts nog nooit gezien hadden. Het was gewoon een kopie van de oude.
    De zesde klap kreeg toen ik voor zeik werd gezet door dhr. Kleijnen t.a.v. derden in dit geval het secretariaat.
    De zevende klap kreeg ik, toen ik die maandagavond onterecht ben tegengehouden op een autoritaire manier, hij ging zijn boekje helemaal te buiten.
    De achtste klap toen dhr. Kleijnen een onwaar verhaal bij het CvB had neergelegd
    De negende klap kwam, toen dhr. Kleijnen alles ontkende in het gesprek met dhr. Janssen.

    Maar de grootste klap heb ik gekregen van het feit dat het onware verhaal niet werd gecorrigeerd werd, ondanks het feit dat dhr. Janssen in een persoonlijk gesprek mij in het gelijk stelde. Zowel het CvB als dhr. Janssen hebben niks gedaan om de waarheid te onderzoeken cq te vertellen. Ik werd alleen maar bedreigd door maatregelen van beide.

    (Dhr. K. vertelde me dat hij tijdens een of andere vergadering mij nog de hand boven het hoofd heeft gehouden. Gewoon praten met beide partijen dan zijn die handen niet nodig heb ik hem gezegd.)

    Misschien heb ik zelf nog wel de grootste fout gemaakt, ik had gewoon op eigen initiatief naar dhr. Heijenrath moeten gaan en dan was ik ook niet overspannen geraakt, maar dat heb ik niet gedaan in de heilige overtuiging, dat dit hoort tot de taken van een directeur:

    Iedereen gelijkwaardig behandelen.





    Vincent
    Ter verduidelijking uitleg over enkele namen.

    Leon Souren: Docent Informatica PABO en mijn Chef op die PABO
    Dhr. Heijenrath : Voorzitter van het College van bestuur.
    Dhr. F. Janssen Directeur Dienst O&O, de dienst waar ik werkzaam was.
    Dhr. J. Kleijnen Senior Beleidsmedewerker van de Dienst O&O en mijn Chef bij die dienst.
    Dhr. Bijsmans: Lid van het College van bestuur
    Dhr. G.K. Secretaris College van Bestuur

    Een dagje enquêtes maken.

    Maandagmorgen.
    8.00 uur Ik ben op me werk. Zie een paar mensen rond lopen en zeg hun goeie morgen. Loop naar mijn postbakje en kijk of ik post heb. Ga naar mijn kantoor.
    Kijk in m’n agenda en zie dat ik, om negen uur in het ziekenhuis moet zijn voor een enquête waar studenten bij betrokken zijn. De enquête is al ontworpen en verdeeld onder het personeel. Voorlichting van het ziekenhuis over de voortgang en de logistieke afhandeling. Samen met een docent van FD ga ik er heen. Ik zou om half negen op de parkeerplaats op hem wachten.

    8.05 uur De telefoon gaat. Directeur van Ergo belt voor een verwerking van een enquête die al eens eerder verwerkt is. Hij heeft er nog 30 binnen gekregen, of ik die nog erbij kan doen, want dan komt hij op een opkomst van 60%. Ik maak hem erop attent dat dit niet de normale gang van zaken is, maar ik zeg dat hij ze langs kan brengen, want dan maak ik ze in de loop van de week, want vandaag heb ik geen tijd. Hij had het toch graag voor dinsdagmiddag gehad, want dan komt de uitwerking in de vergadering. Ik zeg hem toe mijn best te doen.

    8.10 uur Directeur Ergo loopt binnen en legt enquêtes op tafel. Ik pak ze uit start het scanprogramma op lees de enquêtes in en ben daar om 8.15 meer klaar.

    8.15 uur Zet de scanfiles om in SPSS-bestand en koppel het bestand aan het oude bestand in SPSS. Start het al eerder gemaakte programma voor de analyse, kopieer de uitslag en zet die in de tekstverwerker. Werk de tekst bij in de tekstverwerker. Gelukkig heb ik die ook voor de helft geautomatiseerd, zodat dat lekker snel gaat.

    8.25 uur Bel directeur Ergo op dat hij de uitslag kan komen halen, op het secretariaat, ik moet nu weg en ben dus niet op mijn kamer. Hij bedankt me voor de snelle service. Ik doe mijn jas aan en ga naar de parkeerplaats. Wacht daar 3 minuten en om 8.30 komt de docent van FD.

    8.30 uur Stel me even voor, en de docent stelt zich ook voor. Ik vraag wat zijn rol in deze enquête, en hij zegt dat hij de coördinerende docent is van deze PGO groep. PGO, maar dat is mij niet meegedeeld denk ik. Ik zeg, oh is er PGO van de FD deze twee weken. Ja zegt hij. Ik krijg het Spaans benauwd want daar is geen rekening meegehouden. PGO-FD betekend dat groepen studenten onderzoek doen en enkel groepen maken dan gebruik van mij faciliteiten, ondanks dat elk jaar vraag om de datums is dit ook dit jaar weer niet gebeurd.

    9.00 uur zijn we in bespreking met de mensen van het ziekenhuis die daar de enquête coördineren.

    9.30 uur aparte bespreking met de studenten want er zijn enkele logistieke problemen die betrekking hebben op vragen op het formulier. Ik reik hun oplossingen aan en maak daar afspraken over. Zij geven mij een telefoonnummer, zodat ik, als er problemen zijn, iemand van de groep kan spreken.

    10.30 uur Ik kom terug op mijn werk. In de auto heeft de FD docent me bedankt dat ik was meegekomen, want hij had niet gedacht dat er nog problemen konden zijn, maar ze waren nu, door de voorstellen, goed opgelost.
    Tegenover mijn kamer op het zitje zitten 6 studenten. Ik zeg ze goeie dag en vraag of ze voor mij komen of voor iemand anders. Ze zeiden dat ze voor meneer Crutzen komen. Ik zeg hun, dat ik dat ben en stel me voor. Het bleken 2 PGO groepen te zijn. Een groep met 2 en een groep met een enquête. Ik laat de groepen een voor een binnen komen, kijk vluchtig naar de inhoudelijke teksten. En geef adviezen hoe ze de enquête moeten bijstellen. We spreken af dat, als ik meer fouten ontdek dat ik die zonder ruggespraak kan veranderen, want tijd voor lange besprekingen heb ik niet. De goedkeuring en een telefoonnummer wordt gegeven. En ik krijg de tweede groep. Ik handel hun op dezelfde manier af.

    11.30 uur Pak de enquête van de eerste groep en begin er aan. Ik schat in dat ik die binnen een uurtje gemaakt kan hebben als ik niet meer gestoord wordt kan die voor de middag nog klaar zijn.

    12.00 uur Student van ziekenhuis komt. We bespreken de logistieke veranderingen die in de enquête zijn aangebracht .

    12.15 uur Ga verder met de eerste enquête, er staan meer fouten in dan ik dacht, maar ik weet ze allemaal op te lossen. Bel de student op en ze komen hem even daarna halen. Leg hun uit, wat ik verandert heb en hoe ze en waar ze moeten kopiëren.

    12.45 uur Ik ga eten. Meestal zit ik daar alleen, vandaag ook weer. Eet mijn boterhammen snel op want om 13.00 uur heb ik een afspraak.

    13.00 uur Afspraak met een student die moet afstuderen en die ik begeleid wat betreft haar onderzoek. Zij komt die middag voor extra analyses, en voor de verwerking daarvan in Excel.
    Ik zeg haar dat er PGO is en dat er dan studenten kunnen komen met extra enquêtes. Ik vraag haar of ze bezwaar heeft als ik die studenten er tussen door pak. Ze zegt dat ze daar geen bezwaar tegen heeft. In de loop van de middag loopt Wino nog binnen, zonder aan te kloppen. De student maakt daar een opmerking over. Ik zeg niets en doe alsof ik gek ben. Ook Jan Kleijnen klopt aan en wil een werkbespreking organiseren in die week. Ik zeg Jan als het even kan de eerste twee weken niet, want ik heb PGO en je weet wat dat betekend. Jan gaat weer weg zonder iets te zeggen.

    15.15 uur De computer hangt zich op. Probeer hem weer op te starten, maar dat lukt niet. Bel de IT-Dienst leg het probleem uit en vraag naar Sjaak. Ze weten niet waar hij is. Maar als hij zich meldt, sturen ze hem meteen door. Ik zeg tegen de student dat het vandaag hoogstwaarschijnlijk niets meer wordt en we maken een nieuwe afspraak voor de dinsdagmiddag onder de zelfde voorwaarden als ik haar geschilderd had van die middag.
    Ik laat de student uit en wil naar het toilet gaan. In het voorbij gaan zie ik een stuk of 8 studenten zitten. Ik kom terug van het toilet en vraag of ze voor mij komen. Dit wordt bevestigd. Een paar studenten zijn van de ziekenhuisenquête. Dit weet ik snel af te handelen. De andere studenten komen voor een PGO-onderzoek dat duurt wat langer. Op het moment dat ik met de studenten zit te praten zie ik Sjaak langs lopen. Ik verontschuldig me even en trek hem aan zijn jasje. Vraag of hij al een melding heeft gekregen. Hij weet van niets. Leg hem mijn probleem even uit, en zegt me toe dat hij over een kwartier bij me is. Ga terug naar de studenten en handel dat zo vlug mogelijk af.

    16.00 uur Sjaak komt checkt de computer en ontdekt wat er aan de hand is. Een schijfgedeelte is verkeerd geformatteerd. Moet een DOS-partitie worden zegt hij.

    17.30 uur Sjaak heeft de computer hersteld, ik bedank hem voor de snelle service, en ga naar huis. Een uur te laat die dag. Weer een uur te laat, dit gaat de laatste 1,5 jaar constant zo. En die dag ook nog geen tijd gehad om tussen de middag te eten.


    Dit is een normale werkdag, ik krijg het laatste anderhalf jaar geen tijd meer voor het lezen van literatuur, voor vergaderingen voor te bereiden, voor mijn archief bij te houden, om SPSS-cursussen te doen, enz. Ook andere bijscholingen schieten er bij in.
    Ik heb die studenten als voorbeeld gepakt. Maar bij de docenten gaat het ook zo. Elke jaar vraag ik om datums en elk jaar gebeurt het niet. Ik vraag al jaren lang 3 weken ruimte voor een ontwerp, maar weinig mensen houden zich eraan. Tot 26 januari heb ik alles kunnen bolwerken. Toen ging het niet meer.

    Ik zou mijn leven anders geleefd kunnen hebben als ik geweten had wat ik had. Op de rechtbank, beweerde de advocate van de Hogeschool dat ik in de omgang anders was dan de anderen. Ik fronste toen mijn wenkbrauwen,omdat ik dat niet begreep. Ik kwam op voor mijn rechten, dat was anders bij mij, dat deden de meeste mensen niet. Iets anders kon ik niet verzinnen. Nu weet ik beter. Mijn gedrag was anders, omdat ik in die tijd geen testosteron had. Blijkbaar gedroeg ik me niet als een man. Een man is gesloten, een ja en amen knikker, het liefst bij de baas in de kond kruipen, liegen als gedrukt, dat was ik niet. Die eigenschappen had ik niet. Ik kletste als een oud wijf, was recht door zee, zei altijd waar het opstond, maakte ruzies goed en kon toch met iedereen overweg. Het anders zijn lag ook in het feit, dat de Hogeschool wist dat ik een Klinefelter was. Men had het in 1996 ontdekt, bij een keuring van het ABP. Het rapport van de keuring heb ik nooit gezien. De hogeschool wel. Het ABP gaf in 2002 toe dat het er in stond.
    Ik weet zeker dat mijn leven anders gelopen had. Misschien had ik dan niet zoveel verdient, als dat ik dat op de hogeschool had, maar geld is ook niet alles. Natuurlijk had het ook zo kunnen zijn dat als ik meteen testosteron had gehad, dat ik in de omgang makkelijker was geweest en dat ik hoogstwaarschijnlijk meer had verdient. Dus wie zal het zeggen. Het leven is zo gelopen zo als het is gelopen. Met al zij ups en al zijn downs. De ups zaten in mijn privé leven bij alle mensen die een zeer belangrijke rol speelde en spelen in mijn leven.

    Reint, Thijs, Wim, Wil, Annie, Margot,Tiel, Rim, Adje, Frans, Hub, Cor, Jo, Pauline, Ingvar, Micha, Thi-Lan, Arlette, Lisette, Agnes, Annemarie, Marlies, Karin, Monique, Tim, Chrissie, Veronique, Lukas, Dolf, Gaby, Luna, Indra, Wim, Rudy, Pim, Jacques en natuurlijk Benji de hond waardoor ik alles ontdekte, mijn huidige hond Fuchur en natuurlijk zal ik er nog wel een paar vergeten zijn, maar deze kwamen spontaan boven dwarrelen.