Hier het relaas van mijn schoolverleden en arbeidsverleden.
Na de lagere school ben ik, min of meer verplicht, naar de MULO gegaan. Na twee jaar had ik het daar wel gezien. Ik schreef me in voor de ambachtsschool en werd aangenomen — naar later bleek door een administratieve fout.
In het tweede jaar reed ik met de fiets tegen een auto aan en toen ontdekte men dat er een jaar eerder een verkeerde brief naar de verkeerde persoon was gestuurd. Eigenlijk had ik afgewezen moeten worden. Waarom men mij een jaar eerder had afgewezen, weet ik niet. Maar ik heb er later vaak over nagedacht. Wist men misschien iets? Ik vermoed van wel. Wanneer je naar de ambachtsschool ging, werden namelijk ook de geneeskundige verklaringen meegestuurd. Dus men wist dat ik een Klinefelter was. Anders zie ik geen reden waarom ze mij niet zouden aannemen.
Maar goed, ik was per ongeluk aangenomen en zat op de ambachtsschool. Het was zwaar voor me, vooral de praktijkvakken. In die tijd kregen we nog smeden, bankwerken en dat soort vakken. Vooral smeden was ontzettend zwaar. De theorie ging me gemakkelijker af, behalve het Nederlands. De dyslexie speelde me parten, al wist ik dat toen nog niet.
Onze vaktekenleraar zei ooit in de klas: “Enkelen van jullie gaan naar de MTS, misschien gaan sommigen daarna naar de HTS, en misschien zit er hier wel een toekomstige docent tussen.”
Ik heb die woorden nooit meer vergeten. Die docent zou ik zijn. Een droom die uiteindelijk ook uitkwam, maar daarvoor moet je mijn verhaal verder lezen.
Na twee jaar machinebankwerken volgde nog een jaar autotechniek. Voor de diploma’s slaagde ik zonder moeite.
Op 16 september 1968 begon ik te werken bij garage Muyres, een FIAT-garage in Spekholzerheide, gemeente Kerkrade.
In die tijd was de mijn Willem-Sophia op Spekholzerheide nog open en de garage onderhield onder andere de vorkheftrucks van de mijn. Ik was leerling-monteur en zoals dat gaat: wie als laatste binnenkomt, krijgt het vuile werk.
Dat was ik thuis wel gewend, maar toch. Ik sleutelde liever aan auto’s, want daarvoor had ik tenslotte geleerd.
Het eerste jaar in die garage heb ik vrijwel niets anders gedaan dan auto’s poetsen, tectyleren, de showroom schoonmaken, de garage vegen en olie verversen. Sleutelen deed ik nauwelijks. Het was zwaar en ook ongezond werk, zeker het tectyleren.
Naast het werken moest je ook nog naar school: donderdagavond en zaterdagmorgen. Daar werd je opgeleid tot eerste monteur.
Na het eerste jaar vonden de chef-monteur en de eigenaar dat ik niet geschikt was voor het vak. In die tijd had je het leerlingwezen. Als je daarin zat, kreeg je de uren die je op school zat doorbetaald en moest er een monteur zijn die je begeleidde. Het ging dus ook om geld. Mijn baas weigerde de benodigde handtekening te zetten.
Er werd besloten om via het arbeidsbureau een test te doen. Uit die test bleek dat ik wél geschikt was als automonteur.
Tijdens het afsluitende gesprek zei de psycholoog dat hij nog nooit zo’n volwassen jongen had meegemaakt als ik. Dat volwassen gedrag kwam vooral doordat ik politiek goed op de hoogte was. Dat was thuis dagelijkse kost. Of ik werkelijk zo volwassen was betwijfel ik nog steeds. Ik was toen zeventien.
Ondanks de positieve test kwam ik toch niet in het leerlingwezen terecht. Ik ben daarna ook niet lang bij die baas gebleven.
In de garage bleek al snel waar mijn sterke kanten lagen. Ik was goed in het fijne werk: auto’s uitlijnen, wielen uitbalanceren, motoren afstellen en ander werk waarvoor technisch inzicht en gevoel nodig waren.
Ik kwam ook op plekken waar anderen niet konden werken. Daar had je smalle handen voor nodig — vrouwenhanden. Die had ik als Klinefelter.
Toen ik in de garage begon was ik 1,81 meter lang en woog ik 65 kilo. Na een half jaar woog ik nog maar 59 kilo. Zo zwaar was het werk voor me.
Toen ik naar een andere werkgever wilde vertrekken probeerde men mij tegen te houden, maar daar had ik geen boodschap aan. Via een klasgenoot kwam ik terecht bij garage Kolenburg in Heerlen, ook een FIAT-dealer.
Veel meer verdiende ik daar niet. Bij Muyres kreeg ik 43,50 gulden per week voor zes dagen werken. De vijfdaagse werkweek bestond toen nog niet. Bij Kolenburg verdiende ik 250 gulden per maand, ook voor zes dagen werken.
Ook daar zat ik niet in het leerlingwezen. Alles moest ik dus op eigen kracht doen. Toch slaagde ik, ondanks alle tegenwerking, als een van de weinigen voor mijn monteursdiploma.
Garage Kolenburg was echter de grootste oplichter van allemaal. Ik had voortdurend conflict over het niet uitbetalen van overwerk.
Bij Muyres werden vooral de klanten opgelicht. Er is zelfs eens een klant geweest die hem daarvoor knock-out sloeg, tot groot plezier van de monteurs. Dat zegt wel iets over de verhoudingen in dat bedrijf.
Privé was Muyres trouwens een heel ander mens. Soms zaten we bij hem thuis voetbal te kijken. In die tijd werden wedstrijden vaak ’s middags gespeeld omdat er ’s avonds onvoldoende licht was voor televisieopnames.
Maar in de garage was hij een man die voortdurend schold en tierde.
Ik kon daar wel tegen. Van thuis was ik niets anders gewend. Maar prettig was het niet.
Daar kwam nog bij dat we in 1968 verhuisden van de Maarstraat — waar al mijn straatvrienden woonden — naar de Tunnelweg. De sociale opvang van de straat viel daarmee ook weg. Je ging niet meer even buurten. Je was simpelweg te moe als je thuis kwam, zeker als er weer eens overgewerkt was.
En dat overwerk was bij Kolenburg een voortdurende bron van conflict. In elke garage waar ik werkte had je een stempelklok, dus precies bij te houden hoeveel overwerk er was. Kolenburg betaalde dat nooit uit.
Elke maand stond ik op zijn kantoor om mijn geld te krijgen. Het was frustrerend en eigenlijk gewoon asociaal. Je deed verantwoordelijk werk en daar hoort een passend loon bij.
In die tijd besloot de regering iedere werkende Nederlander 400 gulden uit te keren. Kolenburg betaalde dat simpelweg niet uit.
Toen ik hem daarop aansprak zei hij dat hij het niet ging doen. Ik antwoordde dat ik dan naar de vakbond zou gaan.
Hij zei dat dat niet nodig was, want hij was zelf al lid van een vakbond.
“Ja,” zei ik, “een voor werkgevers. Maar ik ben lid van een vakbond voor werknemers. Die zorgen er wel voor dat ik mijn 400 gulden krijg.”
Het bleek uiteindelijk niet nodig. Ik kreeg het geld.
Het conflict kostte me veel energie en stress, maar ik ging het niet uit de weg. Ik kan me nog herinneren welk liedje ik altijd neuriede wanneer ik naar zijn kantoor liep:
And sympathy is what we need, my friend… van Sly and the Family Stone.
In maart 1971 moest ik in militaire dienst. In augustus van datzelfde jaar werd ik afgekeurd. De reden: te kleine testikels — Klinefelter. Ik kreeg onmiddellijk groot verlof en hoefde dus ook nooit meer op herhaling.
In september ging ik weer terug naar garage Kolenburg. Een paar maanden later werd ik tijdens een griep ontslagen.
Het arbeidsbureau riep me op om mijn ontslag te tekenen. Zij hadden het al geregeld. Maar ik tekende niet. Als ik dat had gedaan had ik mijn uitkering verloren.
Ik vocht het ontslag aan en kreeg gelijk. Volgens de CAO mocht je iemand die ziek was niet ontslaan. Dat had het arbeidsbureau blijkbaar over het hoofd gezien.
Door die procedurefout werd ik een maand later alsnog ontslagen, samen met nog een andere jongen die ook “lastig” was.
Twee weken was ik werkloos.
Daarna begon ik bij garage Kerres.
Wat een verademing was dat.
Ik verdiende ineens 600 gulden per maand — meer dan het dubbele — en er was een goede werksfeer. Bovendien mocht ik eindelijk het werk doen waar ik goed in was.
Al in de tweede week ging ik op cursus in Amsterdam bij Renault Nederland. Bij Kerres werd veel aan scholing gedaan. Ik werd opgeleid voor iets nieuws waar Renault toen voorop liep: het diagnosestation.
Elke auto die binnenkwam werd daar volledig gecontroleerd — tweehonderd punten. Ik deed het controleren, verving contactpunten, luchtfilter en bougies en stelde de motor af.
Daar stond twee uur voor, maar als je geoefend was kon je het in een uur doen.
In 1973 kwam de oliecrisis. Het werd stil in de garages. Wekenlang was er nauwelijks werk. Uiteindelijk volgden ontslagen.
Eerst gingen de mensen weg die slecht lagen bij de baas. Toen dat niet genoeg was, kwamen de duurdere werknemers aan de beurt — waaronder ik.
Mijn baas was wel zo sportief om ander werk voor mij te zoeken, maar ik had het al zien aankomen. Ik was zelf al gaan solliciteren en kwam terecht bij garage Boogaard op de Schelsberg in Heerlen.
Daar kwam ik een oude bekende tegen: mijn voormalige chef-monteur van Kolenburg.
Alleen waren de rollen nu omgedraaid.
Vroeger leerde ik van hem. Nu moest ik hem dingen uitleggen.
Boogaard gaf mij hetzelfde salaris als bij Kerres en beloofde een verhoging na een half jaar als ik goed functioneerde.
Na een half jaar vroeg ik ernaar. Ik was goed, zei hij, maar hij had geen geld.
Dat was dus weer zo’n loze belofte.
Mijn dag zou nog wel komen.
En die kwam.
Op een dag moest er in de Renault 5 van een vriend van hem een andere motor worden gezet. De man zou de volgende dag op vakantie gaan. Ik haalde de motor eruit en ging daarna naar de baas.
“Ik ga naar huis,” zei ik.
Hij keek verbaasd. De nieuwe motor zat er immers nog niet in.
“Ik weet het,” zei ik. “Maar ik heb daar geen tijd voor.”
“Hoezo niet?”
“Laten we het anders zeggen: ik krijg niet de juiste beloning.”
Hij herinnerde me eraan dat ik had toegezegd het werk te doen.
“Dat klopt,” zei ik, “maar jij had ook toegezegd dat mijn salaris verhoogd zou worden. Dat gebeurde ook niet.”
Ik kreeg mijn salarisverhoging. Meteen zwart op wit.
Ik was daar immers de enige monteur.
Toen mijn oude collega vertrok vroeg Boogaard of ik iemand wist voor de functie van receptionist. Ik stelde Lei M. voor, mijn opvolger bij Kerres.
Hij werd aangenomen.
We schrijven het jaar 1974. Onze vriendschap zou tot ongeveer 1992 duren.
Begin 1976 moesten we allemaal bij de baas komen. Hij ging de garage verkopen aan Nefkens, een Peugeot-dealer. Die had geen werk voor ons.
Op 1 juni 1976 stonden we allemaal op straat.
Boogaard bleek kanker te hebben. Hij wilde de laatste jaren van zijn leven met zijn gezin doorbrengen. Twee jaar later overleed hij.
Ik ben nog eens bij hem op bezoek geweest.
Zijn voornaam was Gerrit. In die tijd was het liedje Ik ben Gerrit en ik steel als de raven populair. Als hij weer eens lang in de garage rondhing zong ik dat wel eens. Dan verdween hij meestal snel weer naar zijn kantoor.
Na mijn ontslag begon voor mij — zo bleek later — een totaal ander leven.
Ik werkte af en toe nog in een garage, meestal om iemand te helpen of om mijn eigen auto te repareren. Maar mijn echte leven zou een andere richting krijgen.
Daarover vertel ik meer in het hoofdstuk “Mijn sociaal leven.”
Toch paste het wel bij mijn karakter. Steeds weer iets anders. Steeds nieuwe mensen ontmoeten.
Dat ontslag kwam me in die periode eigenlijk goed uit. In 1970 was ik begonnen aan de lerarenopleiding. Dat gaf nogal eens problemen, want om half zeven begon de school en om kwart over vijf eindigde mijn werkdag. Alles was dus op de minuut getimed. Naar huis, snel douchen, eten en dan naar school — het ging net. Vaak probeerde men me vlak voor kwart over vijf nog wat werk in handen te duwen, maar klokslag kwart over vijf hield ik ermee op. Klanten bleven dan soms verbaasd achter. Maar het was afgesproken. Men wist ervan. Ik had drie dagen per week school.
Eén keer per maand moest ik ook nog eerder weg, omdat ik dan naar de huisarts moest voor een penicilline-injectie in verband met mijn acute reuma. Pijnlijk was dat, want van zo’n spuit sliep ik drie nachten slecht en was ik overdag drie dagen doodmoe.
Dat was nu allemaal voorbij.
Ik stortte me volledig op mijn studie voor docent Wis- en Natuurkunde N1. Met de penicilline-injecties was ik gestopt; ik werd er letterlijk en figuurlijk gek van. Solliciteren deed ik wel, maar vaak kreeg ik te horen dat men mij niet voor één jaar wilde aannemen. Misschien straalde ik ook niet echt uit dat ik werk wilde.
Mijn studie verliep in elk geval voortvarend en ik behaalde mijn diploma. Wie daar meer over wil weten, moet mijn verhaal “Het Diploma” maar lezen.
1976 was een warme zomer. Thuis heb ik van alle kozijnen, binnen en buiten, de verf afgehaald en ze opnieuw gevernist. Op een bedankje zit ik nog altijd te wachten. Mijn ouders spaarden zich hiermee de schilder uit. Duizenden guldens moeten ze daarmee bespaard hebben. Ook de jaren daarna hoefde het hout alleen nog maar een beetje overgeschilderd te worden, omdat er een speciale lak op zat die niet ging scheuren of barsten. In 2000 hebben ze uiteindelijk alle kozijnen vernieuwd. Dat geld hadden ze in de loop van de jaren mooi uitgespaard, mede dankzij die drie maanden werk van mij in 1976.
Begin 1976 was ik eens naar een vergadering gegaan van de plaatselijke PPR, de Politieke Partij Radikalen. Datzelfde jaar werd ik daar secretaris van. Niet omdat ik dat zo graag wilde, maar omdat men mij dat vroeg — en omdat het de eerste mensen waren die vertrouwen stelden in mijn kunnen. Dat had ik thuis nooit gekregen.
Ik ben het zes jaar gebleven, de maximale tijd die volgens de reglementen mocht. Langer wilde ik het ook niet doen, want de koesjelemoes, de achterkamertjespolitiek, hing me na zes jaar de keel uit. De volkstuinen Dentchenbach zijn er door mij gekomen. Ik heb zelfs eens een ambtenaar, hoofd interne dienst van de gemeente Kerkrade, gered. Hij was namelijk vergeten de papieren te bestellen die nodig waren om de verkiezingen te organiseren. Er moesten allerlei formulieren worden aangevraagd en binnen bepaalde termijnen worden ingeleverd. Ik was altijd iemand die op de eerste dag dat een formulier verkrijgbaar was op de stoep stond, en die ook op de eerste dag van de inlever termijn alles weer inleverde.
Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen — zo leef ik nog steeds.
Dat heeft ook met mijn Klinefelter te maken. Het korte termijngeheugen van een Klinefelter is vaak slecht; dat was bij mij altijd al zo. Dan leer je trucjes om niets te vergeten. Een van die trucjes is dingen niet laten liggen, maar meteen doen. Een ander is alles meteen opschrijven, of stukjes van een verhaal noteren. Je leert een ander deel van je geheugen te gebruiken, een deel waar geen probleem zit. Tegenwoordig beantwoord ik mails ook meteen, dan kan ik het niet vergeten.
In de tijd dat ik secretaris was heb ik veel geleerd. Ambtelijke brieven schrijven, bijvoorbeeld, want ambtenaren hanteren een apart taaltje. Ik leerde ook brieven zo formuleren dat je mensen ergens op aansprak zonder dat het letterlijk in de brief stond. En ik leerde mensen benaderen, mijn verlegenheid van me afzetten — die verlegenheid die ik van huis uit had meegekregen, veroorzaakt door mijn Klinefelter en versterkt door mijn familie, die me nergens in stimuleerde. Integendeel, meestal werden de dingen die ik deed afgekraakt.
Mijn vader ging altijd van zichzelf uit: een gesloten mens, die weinig omgang had met mensen buiten zijn gezin. Bang om iets verkeerd te doen. Zijn zoon moest dus ook maar zo zijn. Terwijl dat helemaal mijn natuur niet was.
Het voordeel van een politieke functie in Kerkrade werkte nog lang door. Toen ik in 1985 een woning nodig had, ging ik naar de toenmalige wethouder en binnen drie maanden had ik een huis, terwijl je daar normaal in die tijd drie jaar op moest wachten. Natuurlijk was dat ook koesjelemoes, maar als een systeem corrupt is, moet je er soms gebruik van maken, anders kom je nergens.
Secretaris zijn van een club betekent de belangrijkste positie bekleden. De meeste mensen denken dat dat de voorzitter is, maar niets is minder waar. De secretaris is bepalend voor een partij of vereniging. Bij de secretaris komt alles binnen en gaat alles uit. Het is meestal ook de drijvende kracht. Die functie was mij op het lijf geschreven en daarom ben ik later nog van meer verenigingen secretaris geweest. Maar de PPR was de belangrijkste. Daar begon het.
Toen ik secretaris was van de PPR in Kerkrade verloren we geen verkiezingen. We gingen er bij iedere verkiezing op vooruit. Verloor men landelijk, dan stegen wij in Kerkrade. Eindelijk waardering krijgen van mensen — dat was iets wat ik tot dan toe gemist had. Al moet ik er eerlijk bij zeggen dat we in die tijd ook een paar fanatieke figuren op de achtergrond hadden. Maar ook dat moet je als secretaris weten los te krijgen. Het goede voorbeeld dat ik gaf, werkte vaak stimulerend op anderen. En de jaren hebben vaak bewezen dat wanneer ik ergens stopte, de partij of vereniging een knauw kreeg of zelfs ophield te bestaan.
In 1977 haalde ik mijn diploma Leraar Wis- en Natuurkunde N1, op 14 juni van dat jaar. Ik solliciteerde me een ongeluk, maar werk leverde het niet op.
Vroeger moest je daarna nog je pedagogisch getuigschrift halen. Dat heb ik nooit gekregen. Dat had verschillende oorzaken. Mijn stage liep niet goed; men vond dat ik te nerveus was voor een groep. In die tijd was dat ook zo. Dat kon bijna niet anders. Vijf jaar penicilline had mijn zenuwstelsel geen goed gedaan. Daarnaast speelde natuurlijk mijn Klinefelter mee: weinig mannelijk libido, weinig zelfvertrouwen. Dat gebrek aan zelfvertrouwen was ook weer versterkt door de opvoeding. Ik kreeg weinig stimulans in wat ik deed, en dus werd er ook geen zelfvertrouwen opgebouwd.
Mijn stage draaide op niets uit. Maar ook aan de theorie deed ik weinig. Zonder echt te leren haalde ik toch een voldoende op het examen. Blijkbaar voelde ik de dingen wel goed aan. Ik had geen tijd meer, en ook geen zin meer om nog veel te studeren. Ik was met andere zaken bezig, zoals de politiek, en die was op dat moment belangrijker voor me.
In 1977 kreeg ik ook mijn tweede grote overspannenheid. De eerste had ik ooit in de garage gehad, zo’n vier jaar eerder, rond 1974. Deze keer kwam het doordat het maar niet lukte om werk te krijgen. Ik viel in een gat. Zeven jaar lang had ik gewerkt en gestudeerd, en dan ineens niets meer. Dat was niet goed voor me.
Ook de teleurstelling dat mijn ouders en mijn familie niets om mijn diploma gaven en me bleven behandelen als een kind, stoorde me enorm. Ik wilde weg. Ik wilde werk.
Via een tip van iemand kwam ik terecht bij het vrijwilligerswerk van K3. Ik zie het nog voor me hoe dat ging. Met knikkende knieën liep ik het K3-centrum binnen, aan de rand van Chevremont en Kerkrade. Er stonden wat mensen te praten: Jos met Guus, en Miriam zat achter haar bureau. Zij was de baas van het geheel, al wist ik dat toen nog niet.
Na een paar minuten merkte men mij op en vroeg wat ik kwam doen. Ik zei dat ik kwam voor vrijwilligerswerk. Wat voor vrijwilligerswerk dan? Ze hadden de Meubelbeurs. Ik zei meteen ja.
Tien jaar lang heb ik het gedaan, met een onderbreking van twee jaar.
In augustus 1977 begon ik bij de Meubelbeurs, samen met Cor en Jo, die allebei vier jaar ouder waren dan ik. Cor was fietsenmaker en Jo docent handenarbeid. Het klikte vanaf het eerste moment tussen ons drieën. Het zou een mooie tijd worden. We waren ook alle drie in augustus geboren: Jo op 9 augustus, Cor op 17 augustus. Misschien klikte het daarom zo goed. Maar ook omdat we alle drie uit de technische wereld kwamen. Eén gebaar was vaak al genoeg om elkaar te begrijpen. Dat was met theoretisch opgeleide mensen soms veel moeilijker.
De Meubelbeurs was een onderneming voor werklozen. We haalden huisraad op en verkochten dat weer in onze winkel. Talent om te verkopen had ik wel. De Meubelbeurs was in maart van dat jaar begonnen, met een startkapitaal van 5200 gulden, en in augustus stond men al bijna op omvallen. Men dacht dat het weer zo’n werklozenproject was dat het niet zou halen.
Maar door ons drieën begon de zaak te draaien. Een half jaar later betaalden we de subsidie al terug aan de gemeente. We waren toen semi-onafhankelijk. Ongeveer een half jaar daarna maakte ik een huishoudelijk reglement. Menigeen lachte me daarvoor uit. Wat moest een werklozenproject nou met een huishoudelijk reglement?
Vooral de mensen die de kantjes ervan afliepen hadden er moeite mee. Maar het reglement is er altijd gebleven. Eén jaar geleden is het project pas gesloten, vooral door de concurrentie van de gemeente, die zelf ook winkels voor tweedehands spullen begon. Een paar jaar nadat ik de regels had ingevoerd moest de projectleider toegeven dat het een goede, vooruitziende zet van me was geweest.
Het eerste jaar hadden we geen busje om meubels op te halen. Dat huurden we dan wekelijks of om de twee weken, afhankelijk van de aanvoer. Tussendoor haalden we ook spullen op met onze eigen auto’s. Ik had een Renault 12 en Jo een Mini. Op de imperiaal van mijn auto is heel wat vervoerd in die tijd. Later konden we een Renault Estafette lenen van Abels, die een stoffeerderij had in de Einderstraat in Kerkrade. Mijn ervaring met Renault kwam daarbij goed van pas; ik heb die bus menig keer staan repareren.
In 1980 kwam een van de medewerkers de winkel binnen met de mededeling dat hij aan de slag moest op een school waar hij helemaal geen zin in had. Het werk was amanuensis natuur- en scheikunde. Ik had daar wel oren naar. Ik ben met het arbeidsbureau gaan praten en heb gevraagd of ik een gesprek kon krijgen met de directeur van die school.
Eerst werd dat afgewezen. Na lang aandringen kreeg ik toch een gesprek. In principe was mijn opleiding te hoog; men zocht iemand met MBO en ik had HBO. Maar het gesprek pakte gunstig uit. Ik werd aangenomen en kon beginnen als amanuensis.
In 1979 was ik ook nog eens afgevallen van 102 kilo naar 63 kilo. Ik had een berenconditie en reed iedere dag met de racefiets naar mijn werk, zes kilometer verderop. Ik had wel een auto, maar toen al begon ik last te krijgen van claustrofobie tijdens het autorijden, iets wat zes jaar later zo erg werd dat ik niet meer alleen achter het stuur durfde te zitten.
Op de Mavo De Lichtenberg, de school waar ik ging werken, leefde ik helemaal op. Het zou de mooiste tijd van mijn leven worden. Helaas duurde het maar negen maanden, maar van mij had het negen jaar mogen duren. Ik had het daar echt naar mijn zin en de docenten waren tevreden over me. Als ik niets meer te doen had, ging ik meehelpen met onderhoud. Ik heb daar nog een fietsenstalling in elkaar gelast, rioleringen schoongemaakt en meer van dat soort werk gedaan.
Dat doe je gewoon als je op een plek bent waar men je waardeert. En juist dat had ik thuis altijd gemist.
Na die negen maanden heeft men nog geprobeerd mijn contract te verlengen, maar het arbeidsbureau gaf geen toestemming. Datzelfde arbeidsbureau waar een neef van mij voorzitter van was.
Ik werd weer werkloos en ging terug naar de Meubelbeurs. Intussen bleef ik solliciteren op alles wat los en vast zat. En één sollicitatie had succes: ik werd uitgenodigd voor een gesprek op het Bernardinuscollege. Men zocht een TOA. Er stond niet bij voor welk vak.
Toen ik in de ruimte kwam waar het gesprek zou plaatsvinden, moest ik wachten. Ik vroeg waarop we zaten te wachten.
“Op de vakdocent,” zei men. “Op de leraar biologie.”
“Biologie?” zei ik, en ik stond op. “Dan zit ik hier verkeerd. Biologie heb ik van mijn leven nog niet gehad.”
Ik werd teruggeroepen en men vroeg me weer te gaan zitten. Dat was niet erg, zei men, dat zouden ze me wel leren.
Het ging om een baan van vijf halve dagen per week. ’s Morgens werkte ik op de Meubelbeurs en ’s middags op het Bernardinuscollege.
Ik was dus aangenomen.
Later heb ik eens gevraagd waarom men juist mij gekozen had. Ik had een goed getuigschrift, zei men, en daar konden ze niet omheen. Er waren 67 sollicitanten geweest en de keuze was op mij gevallen.
Na anderhalf jaar raakte ik overspannen. Achteraf natuurlijk door mijn Klinefelter, door het werken van hele dagen en de belofte van een vaste baan die uiteindelijk niet doorging.
Ik was hevig overspannen. Zo erg had ik het nog niet gehad. Nog geen vijf jaar eerder had ik mijn vorige overspannenheid gehad en nu weer.
Het zou tot 1986 duren voordat ik daar weer overheen was.
Op Bernardinus werd ik ontslagen. Ik ging verder met mijn vrijwilligerswerk. De Meubelbeurs haalde me toen uit een diep dal. Drie maanden heb ik niet naar buiten gedurfd. Maar daarna begon ik langzaam weer.
De Meubelbeurs lag drie kilometer van me vandaan. Ik begon met honderd meter. Elke dag een beetje meer, tot de dag dat ik de hele afstand in één keer aflegde. Een overwinning op mezelf. Daarna ging ik er iedere dag heen, eerst te voet, later met de fiets.
Het contact met de mensen, het verkopen van meubels, hielp me om erbovenop te komen. Het lichamelijk soms zware werk zorgde ervoor dat ik niet voortdurend met mijn problemen bezig was. En met de dag ging het beter.
De artsen van het ABP wilden me goedkeuren. De psycholoog stelde me toen voor een keuze: vijftien procent afkeuring of honderd procent goedkeuring.
Ik koos voor het eerste.
Later zou dat noodlottig blijken, maar dat weet je op zo’n moment niet. Als je je voor vijftien procent liet afkeuren, moest het ABP je re-integreren, en dat klonk me goed in de oren.
Ze lieten me testen en uit die test kwam dat ik informatica moest gaan doen.
Op Bernardinus hadden ze me al warm gemaakt voor computers. Ze hadden daar in die tijd de P2000 van Philips. Ik had in 1983 zelf al een Apple II gekocht. Op school moest je altijd intekenen om op een computer te kunnen werken, en dat vond ik te lastig. Daarom kocht ik er zelf een.
In 1985 deden we er de boekhouding van de Meubelbeurs op en liepen er twee mensen van de HEAO stage bij mij om het programma te verbeteren. Ik was toen al behoorlijk aan het pionieren. Steeds nieuwe dingen aanpakken is de beste training voor de hersenen. Dat deed ik toen en dat doe ik nog steeds.
Computergebruik in een bedrijf was in die tijd uitzonderlijk, maar wij deden er de boekhouding mee en hielden er een klantenbestand in bij.
Door de test van het ABP begon ik in 1986 aan de AMBI-modules. Zij hadden me verzekerd dat ik werk zou krijgen, en onder die voorwaarde begon ik aan de studie. Ik haalde keurig A1, B1 en B2. Cobol haalde ik niet. Dat kwam door mijn dyslexie, al wist ik toen nog niet dat ik die had. Ik sloeg woorden over die wel in mijn hoofd zaten maar niet op papier kwamen. Letters sloeg ik ook over. Dan kun je in Cobol geen hoge ogen gooien, want je moest toen nog met de hand programma’s schrijven.
Na het behalen van B1 werd al duidelijk dat het ABP mij helemaal geen werk zou bezorgen. Een grote mond hadden ze wel, maar verder deden ze niets.
Begin 1986 liep ik stage bij het CBS. Dat was in de tijd van de protesten tegen de kernraketten, die intussen al ingevoerd waren terwijl de mensen nog op straat stonden te demonstreren. Ik herinner me nog hoe de ambtenaren die daarover gingen dat in geuren en kleuren kwamen vertellen. Zo worden wij in Nederland in de maling genomen. Dat was in de tijd van het kabinet Van Agt-Wiegel.
In het voorjaar van dat jaar kneusde ik door een val vier ribben. Ik meldde dat keurig aan mijn begeleider en aan het ABP. Zes weken was ik uitgeschakeld, al ging ik met studeren gewoon door. Toen dat half jaar stage voorbij was, hoorde ik niets meer van mijn begeleider. Ik belde het CBS nog op met de vraag of ik terug kon komen, maar dat ging niet. De man die zich een half jaar voor mij had vrijgemaakt zat inmiddels alweer volop in zijn werk.
Er gingen drie maanden voorbij nadat ik beter was. Ik haalde het diploma B2 als enige van 43 studenten en was inmiddels begonnen aan Cobol.
Toen ging de telefoon. Meneer Offermans, mijn begeleider van het ABP, wilde langskomen om met mij te praten in mijn huis in Bleijerheide, Kerkrade. Ik was in 1985 thuis uitgetrokken.
Ik besloot dat gesprek op te nemen, op mijn Revox A77, met twee microfoons die ik achter boeken had verborgen. Ik deed dat niet om hem onder druk te zetten, maar voor mezelf. Ik wilde later kunnen nagaan hoe zo’n gesprek zou verlopen.
Het gesprek verliep niet zoals hij gehoopt had. Hij hoopte dat ik tijdens het gesprek zou zeggen dat ik met mijn studie stopte, zodat hij niets meer hoefde te doen.
In het begin vroeg hij mij waarom ik hem niet had opgebeld toen ik weer beter was. Ik vond dat vreemd. Ik zei dat ik ook niets meer van hem gehoord had, ondanks dat ik me ziek had gemeld, en dat hij ook best eens belangstelling voor mijn toestand had mogen tonen. Later vroeg hij welke diploma’s ik gehaald had. Ook daar vond hij dat ik hem van op de hoogte had moeten houden.
Toen zei ik tegen hem dat ik me begon af te vragen wie hier nu eigenlijk wie begeleidde: hij mij of ik hem.
Daarop stond hij op en liep zonder iets te zeggen mijn huis uit.
Ik zette de band stil, spoelde hem terug en luisterde het gesprek nog eens af. Toen hoorde ik pas goed hoe geniepig hij te werk was gegaan om mij te laten zeggen dat ik ermee stopte.
Dat was hem niet gelukt.
Ik vroeg om een andere begeleider en kreeg de heer Rienties. Na één gesprek hoorde ik nooit meer iets van hem, tot mijn herkeuring in 1990. Toen belde hij op dat hij wilde langskomen.
Ook dat gesprek heb ik opgenomen. Dit keer met een videocamera en een richtmicrofoon.
Aan het einde van het gesprek zei hij dat hij me honderd procent zou afkeuren.
Dat leek gunstig. Enkele weken daarvoor was ik in Heerlen Ricardo Offermans van het arbeidsbureau tegengekomen — een andere Offermans dan die van het ABP. Hij had me beloofd: laat je honderd procent afkeuren en ik bezorg je werk.
Toen Rienties dus zei dat hij me honderd procent zou afkeuren, dacht ik dat dat goed nieuws was.
Maar enkele weken later kreeg ik de uitslag thuisgestuurd. Tot mijn stomme verbazing was ik honderd procent goedgekeurd.
Ik belde, maar hij was nooit bereikbaar. De lafaard.
Op een gegeven moment zei ik tegen de secretaresse dat ik het gesprek opgenomen had en dat ik met de band naar zijn directeur en naar de pers zou gaan. Connecties had ik genoeg.
Binnen twee minuten hing hij aan de telefoon.
Ik vroeg hem nog wat voor auto hij had, want dat moest wel een snelle zijn als hij twee minuten eerder nog “afwezig” was.
Er kwam een herziening en ik werd alsnog afgekeurd. Later belde hij op of ik even naar het ABP wilde komen. Ik vroeg waarom. Intussen had ik een kleine cassetterecorder aan de extra luidspreker van de telefoon gekoppeld.
Hij moest me de uitslag van de herziening vertellen. Ik zei dat dat ook best telefonisch kon, ik zag het nut er niet van in om voor twee minuten gesprek van Bleijerheide naar Heerlen te reizen.
Na wat heen en weer gepraat gaf hij toe en vertelde telefonisch dat ik voor 80 tot 100 procent was afgekeurd.
Met die uitslag ging ik natuurlijk meteen naar Ricardo Offermans van het arbeidsbureau. Hij had mij immers werk beloofd.
Goedgelovig als ik altijd ben geweest — ook dat hoort bij iemand met weinig testosteron — dacht ik werkelijk dat hij werk voor me had.
Hij stuurde me naar het Licom, dat toen nog de ZOL heette, voor een test. Uit die test bleek dat ik te hoog opgeleid was om daar te kunnen werken.
Toen dat niet lukte, probeerde hij me via een achterdeurtje toch bij de ZOL binnen te krijgen. Volgens hem moest ik dan maar een paar maanden op het Welterhof werken, tussen mensen met een IQ van zeventig en lager.
Ik ben met hem meegegaan, omdat ik wilde dat hij zélf zou inzien dat hij dit niet serieus kon menen. En dat gaf hij ook toe.
We maakten een afspraak om alles opnieuw te evalueren op het arbeidsbureau. Tijdens dat gesprek zei hij uiteindelijk dat hij geen werk voor me had en dat ik kon vertrekken.
Maar hij had buiten de waard gerekend.
Ik bleef gewoon zitten. Op zijn kantoor. Hij dreigde nog met beveiligingsmensen en van alles, maar ik bleef zitten. Hij had mij werk beloofd en ik vond dat hij zich daaraan moest houden.
Ten einde raad belde hij de banenpool op en maakte daar een afspraak voor me. Ik mocht op gesprek komen.
Zo kwam ik terecht in de banenpool — moderne slavernij. Je deed hetzelfde werk als anderen, maar dan voor een minimumloon. Toch zag ik het als een opstapje naar vast werk.
Ik kwam te werken bij het stadsarchief van de gemeente Heerlen, als medewerker beeld en geluid.
Een mens die gewend is zelfstandig beslissingen te nemen, moet eigenlijk niet bij een overheidsinstelling gaan werken. Daar werken vooral ja-knikkers. Daarom is de bureaucratie daar ook zo groot. Alles moet eerst de hele hiërarchie door voordat er iets kan gebeuren.
Neem als voorbeeld de database die ik moest maken van alle aanwezige video-opnamen in het archief. Ik deed dat met Q&A, een programma waar ik nog nooit mee gewerkt had. In het archief waren echter wel mensen aanwezig die er verstand van hadden. Niemand was bereid mij te helpen. Die vorm van egoïsme kende ik niet. In een garagebedrijf was dat anders. Daar hielp men elkaar, en als je dat niet deed kon dat zelfs ontslag betekenen.
Bij een gemeentelijke instelling is alles wat in het bedrijfsleven normaal is vaak afwezig. Daarom functioneren die instellingen ook zo slecht.
Ik maakte de database dan maar zelf. Ik leerde het programma zelfstandig. Mijn Spartaanse opvoeding zorgde ervoor dat een beetje tegenwerking me niet uit het lood sloeg. Dat had ik in ons gezin ook al genoeg meegemaakt.
Ik ging met mijn ontwerp naar mijn directeur. Hij keurde het goed. Ik maakte de relationele database en vroeg daarna een afspraak om hem het resultaat te laten zien. Maar steeds werd die afspraak verschoven. Je kon dus niet verder. Na twee weken begon dat me de keel uit te hangen.
Ik ben maar begonnen met invoeren.
Na drie maanden ging de afspraak dan eindelijk door. Tot mijn verbijstering vroeg hij waarom ik voor dít ontwerp had gekozen, want hij was het er totaal niet mee eens en vond dat ik opnieuw moest beginnen.
Ik zei dat ik dat niet zou doen, omdat hij het ontwerp zelf had goedgekeurd en omdat zijn wispelturigheid en het steeds uitstellen van afspraken tot veel te veel vertraging leidden.
Hij was zo verbaasd over mijn antwoord dat hij alsnog akkoord ging.
Ik had al weken ingevoerd en had absoluut geen zin om opnieuw te beginnen.
Bij gemeenten zitten vaak omhooggevallen ambtenaren die door veel kontenkruiperij op posities terechtkomen waarvoor ze helemaal niet geschikt zijn. Tegenwoordig weet ik dat die man is weggepromoveerd. Daar zijn ze goed in bij gemeentelijke instellingen: mensen die niet functioneren een onbeduidend baantje geven. En wij maar betalen.
Ik vind dat als iemand niet functioneert, hij gewoon ontslagen moet worden.
Hoe het uiteindelijk tot mijn ontslag bij de gemeente kwam? Als banenpooler had je toen vrijwel geen rechten. Men kon je van het ene op het andere moment ontslaan. Daarna moest de banenpool maar weer een andere plek voor je zoeken.
In juli 1992 kwam het hoofd interne zaken van de gemeente Heerlen, de heer Thelen, naar de onderdirecteur van het archief — de directeur was op vakantie — met de vraag of er films gekopieerd konden worden voor het afscheid van burgemeester Van Zeil, ter gelegenheid van diens verjaardag op 3 augustus. Van Zeil was trouwens op dezelfde dag jarig als ik.
Een paar weken eerder was diezelfde heer Thelen nog op onze afdelingsvergadering geweest om ons op het hart te drukken dat we niets mochten kopiëren zonder toestemming van de maker van de film. Ik had hem toen nog gevraagd: “Zelfs niet als de koningin belt?”
“Nee,” had hij gezegd.
En nu wilde hij ineens dat er voor de burgemeester wél gekopieerd werd.
De onderdirecteur vroeg mij een paar films over te zetten.
“Dan doe je dat toch even,” was de gedachte.
Nee dus.
Zo zit ik niet in elkaar. Mijn opvoeding heeft me, ondanks alle ongelijkheid thuis, toch ingeprent dat gelijkheid iets wezenlijks is. Gelijke monniken, gelijke kappen.
Dus ik zei: regel eerst het Copierecht.
Daar werd geen gehoor aan gegeven. Op een gegeven moment kreeg ik zelfs de opdracht om de films te kopiëren, met de mededeling dat ik anders kon vertrekken.
Ik heb de films gekopieerd, maar ik heb er ook volgens de regels een rekening bij gedaan van 2,65 gulden per minuut film. Als er geen copierecht was verkregen, moest er immers een rekening worden uitgeschreven.
Uiteindelijk leidde dat alsnog tot mijn ontslag.
En de heer Thelen? Die werd een half jaar later weggepromoveerd. Toen ik eenmaal weg was bij het archief, ben ik verhaal gaan halen bij de toenmalige wethouder. Die verzekerde me toen al dat Thelen weg zou gaan bij interne zaken. Hij had ook bij meer mensen kwaad bloed gezet. Men verweet hem gebrek aan leiderschap.
Ik was dus opnieuw zonder werk.
Ik heb toen eerst mijn verlofdagen opgemaakt, al het overwerk dat ik had gedaan. In totaal waren dat twee maanden. Op mijn luie reet had ik in die tijd dus bepaald niet gezeten.
Daarna kreeg ik werk op de PABO, een onderdeel van de
Hogeschool Heerlen, als applicatiebeheerder.
Maar de hogeschool is weer een verhaal apart.
Daar begin ik een nieuw hoofdstuk over.
In het sollicitatiegesprek, had ik bedongen dat er elke 2 weken een teamvergadering was. Ik was er aangewend geraakt in het werken in de garage, dat je altijd ruggespraak had met je chef over de werkzaamheden. Goed communiceren is belangrijk in het garagebedrijf, daar hangen mensenlevens van af. In overheidsinstellingen weten ze meestal niet wat dat is. Bij de PABO waren ze nog achterlijker als op het Bernardinuscollege, waar ik 10 jaar eerder werkte. Op Bernardinus had je personeelsvergaderingen, meestal 3 maal per jaar van het volledige personeel. Op de PABO had men daar nog nooit van gehoord. Daar worden mensen opgeleid die als ze eenmaal docent zijn, op eilandjes werken. Veel van die docenten op die school ware dat ook. Een voorbeeld daarvan was dat ik van mijn werkplek werd gestuurd als een van de docenten in het informatica lokaal les gaven. Een keer heb ik dat toegestaan, daarna niet meer. De docenten die daar niet tegen konden, stuurde daarop nog liever de studenten naar huis, dan les te geven in het informatica lokaal. Rare mensen die docenten.
Maar goed. Ik begon als applicatiebeheerder. Men had ook een systeembeheerder in dienst. Hoewel hij aanwezig was op het sollicitatie gesprek, had Marcel le Nobele geen vragen tijdens dat gesprek. Hij heeft me het leven zuur gemaakt in de begin periode. Weinig kameraadschappelijkheid bij overheidsinstellingen en nogmaals voor mij totaal onbegrijpelijk. Als je eenmaal een vaste baan hebt is ontslag moeilijk in het bedrijfsleven is dat stukken makkelijker. Daarom begrijp ik niet, dat mensen in het bedrijfsleven wel kunnen samenwerken en in overheidsinstellingen niet, waar haat en nijd hoogtij viert. Ik heb er veel last mee gehad, maar het is uiteindelijk toch goed gekomen tussen Marcel en mij. Maar dat is voor later.
In het begin werd ik door hem getreiterd. Mijn fiets werd vaak weggezet, programma's die ik installeerde werkte opeens niet meer, door toedoen van hem. In het begin kreeg ik ook totaal geen ondersteuning van de directeur van die PABO dhr. Martin Eurlings, in de huidige hoedanigheid is hij gedeputeerde van de provincie Limburg, de van van jawel Camiel. Na twee weken vroeg Martin me hoe het beviel op de PABO, ik zei hem op de pesterijen na goed. Dat antwoord had hij blijkbaar niet verwacht. Blijkbaar kon hij allen maar tegen positief nieuws. Ik kon vertrekken als ik zo negatief bleef, zei hij tegen me. Wat had ik hier aan mijn fiets hangen dacht ik toen nog. Ik heb me omgedraaid en ben gegaan. Bij mezelf denkend, gewoon uit de weg gaan en niks meer zeggen. De enige waar het vanaf het begin goed mee klikte was mijn chef Leon S.
Hij zag iets in me en wist wat ik kon.
In het begin duwde men mij het programma Acces 1.0 in handen en ik moest een database maken waar de boeken en de programma's in stonden. Dat ik op het archief gewerkt had kwam nu van pas. Het systeem van het inrichten van een bibliotheek kopieerde ik rechtstreeks van mijn vorige werkgever. Je doet nooit wat voor niks in je leven. Alles heeft een doel.
Ik begon er aan, mijn kennes van DBase voor Apple Macintosh, hielp me er bij, want het programma van Microsoft was identiek hetzelfde. Ook hier weer Bill Gates kan zelf niks bedenken alles wordt gestolen, maar dit terzijde. Ik maakte een database met er aan gekoppeld een uitleenprogramma van boeken. En langzaam maar zeker begon het blad zich te keren. Men kreeg steeds meer respect voor me en zelf dhr. Eurlings kreeg ik op mijn hand. Toen dhr. le Nobel een uiterste poging te doen om me er uit te werken door mijn chef en directeur Eurlings met een ultimatum te komen hij er uit of ik eruit, koos men mijn kant. Ik heb toen gezegd dat ik helemaal niet wilde dat hij wilde in tegendeel zelfs. Het is goed gekomen met mij en Marcel Le Nobele, ik ben met hem gaan praten, wat andere partijen niet lukte, lukte mij wel. Ik kon zelfs heel goed met hem overweg. We hebben ook veel dingen samen gedaan en toen ik op het centraal bureau werkte en hij moest daar iets doen, kwam hij altijd een uurtje met mij kletsen, even met iemand kletsen, want dat deden weinigen met hem en hij had dat heel hard nodig.
Op het centraal bureau ging ik na 3 maanden werken. Eerst voor 2 dagen in de week, dat werd in de loop van de jaren 5 dagen per week. Daar heb ik een apart hoofdstuk aan gewijd. Op het centraal bureau zat de hoofddirectie van de hogeschool. Voorzitter van het college van bestuur. in ie tijd dhr. van Giesel. Maar ook de hoofden van de diensten. zoals financiën. Ik werkte bij de dienst O&O, onderwijs en onderwijsontwikkeling. Mijn chef was dhr. Kleijnen. Zie het hoofdstuk Centraal bureau
Ik raakte 26 januari 1999 zwaar overspannen. Toen ik bij het Riagg in behandeling was heeft men mij gevraagd om dat stuk over het Centraal Bureau te schrijven. Daarnaast heeft men mij gevraag om een stuk over mijn werkzaamheden op een dag te beschrijven. De dag die ik beschrijf is geweest eind september 1998. Ik was toen al in dienst van de hogeschool.
Nadat ik het stuk geschreven had over het Centraal Bureau, meende mijn toenmalige begeleider dhr. J. Gerritse dat dit een mooi stuk zou zijn om als praatstuk te gebruiken naar de Hogeschool toe. Dat was een misrekening. Na het lezen van het stuk wilde mij niet meer terug. In het stuk was ik te veel een klokkenluider die de vinger op de zere plekken van de hogeschool legde en dat kon niet, in de macho-cultuur van de toenmalige directie. Het leidde uiteindelijk toet mijn ontslag. Die voor de rechtbank werd uitgevochten. Als gouden handdruk kreeg ik 150.000 gulden. Ik had recht op 17.000 gulden, maar de rechter vond dat men zeer slecht met mij was om gegaan en hij zei al in zijn voorwoord dat hij deze zaak anders zou behandelen als hij een zaak normaal zou behandelen. Mijn advocaat had dit nog niet meegemaakt. Ik had maar 5 maanden echt gewerkt voor de hogeschool volgens de wet dan, daarna nog 22 maanden tot de rechtszaak. dus nog geen 3 jaar, dan heb je recht op een jaar aanvulling op je WW naar 78 %, dat zijn 5000 gulden in mijn geval.
Zoals U weet ben ik sinds 26 januari ziek thuis. Voordat ik de oorzaak hier van aangeef wil ik eerst in een kleine chronologische volgorde aangeven hoe ik op de Hogeschool terecht ben gekomen en dan hoe het zover is gekomen dat ik nu ziek thuis ben.
Januari 1993 ben ik begonnen als applicatiebeheerder op de PABO een onderdeel van de toenmalige Hogeschool Heerlen via een banenpoolregeling.
In maart van dat jaar kreeg ik de vraag gesteld door Leon Souren of ik bereid was om enquêtes te ontwerpen voor de Hogeschool Heerlen.
Dit leek me wel wat en ik ben dat gaan doen op het centraal bureau van de Hogeschool Heerlen op de apollolaan .
De toenmalige chef, waar ik het werk van ging overnemen, was Dhr. J. Kleijnen. De ondersteuning die ik op dat moment kreeg om het programma onder de knie te krijgen was in een woord miserabel. Met autodidactische methode heb ik het toch onder de knie gekregen. Zo goed zelfs, dat ik de fabrikant van het programma, de fouten opschreef en zij daarop met een nieuwe verbeterde versie kwamen.
Het werk wat ik 2 dagen deed op het centraal bureau was in de ogen van de Banenpool commercieel en niet additioneel. Ik moest een vrijstelling krijgen van de Banenpool om dit werk te mogen doen. Deze vrijstelling kwam omdat men dacht dat dit een kans kon zijn voor vast werk.
Na een jaar wilde men de overeenkomst stilzwijgend verlengen. Hiermee ging ik niet akkoord. Ik vond dat als ik goed was, en dat oordeel lag aan mijn toenmalige chef en bestuurders, dat ik in dienst genomen moest worden van de Hogeschool Heerlen. Daar werd geen notie van genomen. Op het moment dat ik openlijk ging solliciteren naar een vergelijkende functie bij de Hogeschool Eindhoven, kwam er schot in de zaak. In augustus, tijdens mijn vakantie, kwam dhr. J. Kleijnen mij thuis een jaarcontract aanbieden. Dit vond ik zelf te weinig en heb toen zelf een voorstel gelanceerd dat naar onderhandelingen leidde er toe dat ik in maart 1995 in dienst zou komen van de Hogeschool de onderhandelingen daarover werden dd 5 september 1994 afgerond.
Maart 1995 kwam en ging voorbij, zonder dat ik een tewerkstelling kreeg ondanks dat dit overeengekomen was. Na enige tijd heb ik maar weer aan de bel moeten trekken, vanzelf gaat niks. Na wederom overleg werd er een nieuwe overeenkomst gesloten met de volgende inhoud. Ik kreeg naast de uitkering van de banenpool 1000 gulden extra per maand. Bovendien kreeg ik dat met terugwerkende kracht, maar dat bedrag werd in natura in de vorm van een Apple-computer uitbetaald.
Vanaf 1 januari 1996 kreeg ik een volledige aanstelling bij Contractactiviteiten. Met de restrictie dat ik binnen 3 jaar in dienst werd genomen van de Hogeschool Limburg, want op die zelfde datum is de Hogeschool Heerlen gefuseerd.
Ik kreeg een Directeur dhr F. Janssen en mijn chef bleef dhr. J. Kleijnen, onterecht wat bleek na bijna drie jaar, maar later hierover meer.
Wat het werk in die periode betreft. Het begon met 2 dagen en 47 enquêtes per jaar alleen ontwerpen en inlezen. En groeide uit naar 5 dagen 124 enquêtes ontwerpen en 150 enquêtes inlezen en analyseren. Een totaal scheve verhouding als men het gaat omrekenen. Als ik 47 enquêtes omreken naar 5 dagen omreken kom ik op 118 enquêtes per jaar. Alleen ontwerpen en inlezen.
In de begintijd kwamen de klanten bij dhr. Kleijnen. De planning van het werk deed ik niet ik maakte geen analyses en ik corrigeerde ook niet de enquêtes. Wel bedacht ik een ander systeem van het ontwerpen van enquêtes. Ging de enquêtes inventariseren in een zelf gemaakte database, maakte databases voor derden en ging collegae ondersteunen in het gebruik van programma’s . Na een tijdje nam ik ook het SPSS gedeelte over van de dhr. Kleijnen ook hierbij heb ik weinig tot geen ondersteuning ondervonden. Ik heb gewoon in de beginperiode af en toe eens meegekeken. Zo moeilijk leek me dat niet. Toen ik ook de analyses ging doen kwamen de klanten ook meer en meer rechtstreeks naar mij toe. De planning van mijn werk kwam dus ook steeds meer op mijn schouders te liggen.
De plaats in het team van O&O voor de fusie was redelijk te noemen. Er was regelmatig werkoverleg en ik had ook het idee dat als een uitslag van een enquête niet goed was dhr. Kleijnen afgaande op mijn advies de desbetreffende opdrachtgever daarop attendeerde.
Een totaal overleg met alle medewerkers van de toenmalige dienst was er misschien wel, maar ik maakte daar geen deel van uit.
De plaats in het team van O&O na de fusie was zeer slecht. Werkoverleg ging achteruit. Gezamenlijk overleg binnen de dienst was er wel, maar ik werd nergens bij betrokken.
Ik had het idee dat ik het wormvormig aanhangsel was van de dienst. Diverse keren heb ik dhr. Janssen hierop geattendeerd. Hij beloofde wel van alles, maar hield zich nooit aan de afspraken. In het schooljaar 1997-1998 heb ik zelfs een volledige agenda gekregen van de overlegdatums van de dienst O&O, een uitnodiging heb ik helaas nooit ontvangen. Ook heb ik diverse keren een functioneringsgesprek aangevraagd. Er werden wel steeds toezeggingen gedaan, maar in de periode dat ik bij Contracting werkte heb ik nooit een functioneringsgesprek gehad. We praten hier toch over een periode van 2 jaar en 8 maanden. Ik heb me zelfs laten overhalen om bij de heer Janssen thuis zijn nieuwe computer te installeren, zoekende naar een mogelijkheid om het contact te verbeteren. Ook deze poging ving bot. Het tegendeel gebeurde. In het voorjaar van 1997 kreeg ik te horen van dhr. Janssen dat het niet noodzakelijk was mij binnen de beloofde drie jaar in dienst te nemen. Volgens hem was de overeenkomst op twee manieren uit te leggen. Op initiatief van ondergetekende is er toen een bijeenkomst geweest op 6 maart 1997, het verslag is gedateerd op 22 april 1997 met het kenmerk: OPT\VC.01 . Dit verslag heb ik laten ondertekenen door dhr. Janssen en dhr. Bijsmans om eindelijk na meer dan 3 jaar af te zijn van een slepende en slopende procedure. De punten onder het kopje “Functiebeschrijving” zijn nooit uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde termijn.
Dhr. Kleijnen die na later bleek onterecht mijn chef was. Kon deze opdracht naar mijn belevingswereld niet waarmaken. Op de momenten dat ik een chef nodig had was hij er voor mij niet, kwam nooit voor me op in kritieke situaties en beloofde veel en deed weinig ook haalde hij op ongewenste tijden mijn hele werkplanning door elkaar, omdat hij naar derden beloftes deed die hij niet kon waarmaken, en hij mij de kastanjes uit het vuur liet halen.
Ik ben normaliter een erg zelfstandig werkende persoonlijkheid. Men hoeft mij niet te zeggen wat ik moet doen. Het is zelfs zo dat als ik niks te doen heb aan de bel trek. Ik werk graag en heb ook plezier in het werk wat ik doe.
Vb1:
Maar werk moet georganiseerd zijn. Zeker het werk wat ik doe. In de loop van de tijd kwam zeker 95 procent van de klanten rechtstreeks naar mij. Een enkeling ging nog naar dhr. Kleijnen. Hij maakte dan afspraken met die mensen, en dan kwam het regelmatig voor dat ik met opdrachten, waar termijnen en afspraken op zaten, opzij moest zetten, omdat hij mijn chef was en zijn afspraken voorgingen volgens dhr. Kleijnen. Op den duur een onwerkbare situatie.
Vb2:
In het voorjaar van 1997 kreeg ik nieuwe software. De onderhandelingen met de leverancier heeft ondergetekende gevoerd. Dit leverde de Hogeschool een voordeel op van 9000 gulden, maar dit laatste terzijde.
Ik heb ruim van te voren de IT-Dienst van de Hogeschool gevraagd om aanwezig te zijn bij de installatie of om de gegevens te verstrekken van de computer zodat het installeren uitgevoerd door de firma Farrington, soepel zou verlopen. Dit werd geweigerd door de IT-Dienst. Ik heb toen dhr. Kleijnen gevraagd actie te ondernemen, ook dit werd geweigerd. De installatie heeft die dag onnodig lang geduurd. Om 18.55 hebben we toen het gebouw verlaten en de man van Farrington moest een dag extra terug komen.
Het programma werkte in het begin niet zo als het werken moest. Dit had als oorzaak dat naast het programma voor de enquêtes te ontwerpen ook de programmaas van Microsoft moesten staan. De IT- Dienst weigerde hieraan mee te werken omdat het om een stand-alone situatie ging. Het heeft 6 weken van spanning en dreiging met: “ik pak me de ziekenkaart” voordat dhr. Kleijnen initiatieven ondernam om iets te doen aan de situatie.
Vb3:
Zoals U weet werd het Centraal Bureau uitgebreid na de fusie. Enkele mensen moesten verhuizen. Een van die mensen was ik. Ik maakte hier geen bezwaar tegen mits de kamer die ik zou krijgen niet kleiner was. Dit werd mij gegarandeerd door dhr. Schrijer. Na eigen metingen bleek de kamer een stuk kleiner te zijn. En kon ik geen bezoek meer ontvangen, omdat de apparatuur die ik had te veel ruimte innam. Een verzoek aan dhr. Kleijnen om te vragen of ik daar kon blijven zitten, werd geweigerd. Hij zei dat dhr. Heijenrath hem verteld had, dat ik daar weg moest. Ik heb navraag gedaan bij dhr. Heijenrath. Het verhaal bleek niet te kloppen.
Vb4:
In het voorjaar van 1998 krijg ik grote problemen met mijn computer. Hij viel zo wat 8 maal plotseling uit op een dag. Dit gemeld aan de IT-Dienst en gezegd dat ik het vermoeden had dat er iets met de videokaart was. Tevens aan dhr. Kleijnen gevraagd of ik niet in aanmerking kon komen voor een nieuwe computer. Ik werkte voor derden en de verdiensten daarvan moesten ongeveer op 9000 gulden liggen geld genoeg voor een nieuwe betere computer, was mijn redenering. In elk daaropvolgend werkoverleg dat onderwerp aangekaart. Men deed niets, men beloofde wel van alles, maar deed niets. Toen de hogeschool ging verhuizen weer gevraag of ik niet in aanmerking kon komen voor een van de nieuwe Compaqs, ook met dit verzoek werd niets gedaan. In de eerste week dat ik na de verhuizing met mijn oude computer werk, gaat de videokaart kapot. IT-Dienst gebeld en ik krijg een nieuwe videokaart. Weer aan de bel getrokken voor een nieuwe computer, want hij viel nog altijd 8 maal op een dag uit en dan ben je halve enquêtes kwijt en kun je dus weer hele stukken opnieuw doen.
Voor de vakantie heb ik al mijn hart vastgehouden toen ik voor de Gemeente Landgraaf een bevolkingsenquête moest doen toen er 32500 blaadjes verwerkt moesten worden, als hij toen was uitgevallen dan was de ramp niet te overzien zijn geweest.
Maar nu zitten in de eerste week na de verhuizing twee dagen nadat de videokaart vernieuwd was, gaat mijn intern geheugen kapot. Nieuw intern geheugen gekregen, weer aan de bel getrokken bij dhr. Kleijnen en dhr. Janssen. Een week daarna zit ik te werken, valt plotseling de stroom uit. Het secretariaat mijn kamer en de kamer van Dhr. Janssen hadden geen stroom. Ik ben toen naar Cor Bovens gestapt om te vragen waar de zekering zat. Na een uur hadden ze die gevonden en nieuwe erin gezet. Toen ik mijn computer wilde opstarten deed hij het niet. De voeding was doorgebrand. Weer naar dhr. Janssen gegaan met het verzoek dat ik toch dringend een andere computer nodig had. En toen is pas Dhr. Bijsmans erbij betrokken. Met het verzoek dat ik zo snel als mogelijk een nieuwe computer zou krijgen. Twee dagen na de voeding is me nog de koeler van de processor kapot gegaan. Die is daarna ook nog verwisseld. Of de processor daar nog een klap van heeft meegekregen weet ik niet, maar als de koeler niet werkt wordt dat ding te warm, zeker bij een pentiumprocessor die 43 Watt per uur verbruikt. De nieuwe computer heb ik pas half januari gekregen. En als ze niet toevallig een ouwe computer nodig hadden voor de archivering, had ik hem nu nog niet gehad. Want de directeur van de dienst O&O heeft daar geen bemoeienis in gedaan, dat kwam alleen maar omdat dhr. K. voor zijn secretaresse een computer nodig had.
Vb.5
En dan nog iets, ik heb anderhalf jaar rondgelopen met een oogontsteking. Van alles geprobeerd 2 maal naar een oogarts, druppeltjes, zalfjes, diëtiste enz. niets hielp. Het probleem voorgelegd aan dhr. Kleijnen. Gevraagd of mijn jaloezieën niet eens schoongemaakt konden worden of dat er regelmatiger gezogen kon worden op mijn kamer niets gebeurde. Dat met die stofzuiger maar zelf geregeld met Els en Tanja. Hielp ook niet echt. In het najaar van 1997 krijg ik de griep, omdat ik steeds heen en weer liep tussen mijn kamer 40 graden boven nul en de ander kamers waar een airconditioner stond. Na die griep moest ik bij dhr. Sprenger (ARBO-dienst) komen. Het probleem van het oog aangekaart en toen pas kwam de hogeschool in beweging en werd het probleem opgelost. Ik kreeg een arm voor de monitor en Dhr. V.d. Sanden gaf mij toestemming om een speciale bril te proberen en dat hielp. Anderhalf jaar stress en pijn omdat andere mensen niks voelen en daarom gewoon niks doen.
Na de verhuizing de arm weer laten monteren, stond te hoog kon ik dus niet gebruiken. Ik had mijn oude meubels gekregen. Die te smal waren. Mijn directeur gevraagd voor nieuwe meubels, was te duur was het commentaar. Naar Cor Bovens gegaan of hij niet een tafeltje kon laten maken voor achter die een tafel te zetten zodat ik mijn monitor naar achter kon schuiven. Kwam in orde zei hij. We spreken hier van de eerste week september 1998. Toen ik half november, na mijn nierstenen, terug kom op de hogeschool nog steeds geen tafel. Weer naar Cor. Tafeltje Vincent? Wat voor een tafeltje. En daar kan ik ook nog begrip voor opbrengen ook, zeker als je met zo’n hectische verhuizing bent belast, dan schiet zo’n tafeltje er wel eens bij in. Het tafeltje werd gemaakt. Op een dag nodigt Marjan Edelbroek (directie secretarresse) mij uit om in het restaurant te gaan eten. Onder het eten vertel ik het verhaal van het tafeltje. Moet je nieuwe meubels hebben Vincent, vroeg zij mij. Ja natuurlijk als dat zou kunnen, maar ik heb er een hard hoofd in, zei ik nog. Maak je maar geen zorgen dat regel ik wel. Ze is naar Dhr. Janssen gegaan of hij het goed vond. Hij vond het goed. Marjan heeft ook nog gevraagd of dhr. Janssen dat met Dhr. Schrijer kon regelen, nee dan laat die meubels maar zitten was het antwoord.
Marjan heeft het geregeld en in no time had ik nieuwe meubels. Het kan dus ook anders binnen de hogeschool, als je maar de juiste mensen aanspreekt, of zit ik bij de verkeerde afdeling?
En toen ik de nieuwe meubels en in die zelfde week mijn nieuwe computer kreeg is bijna iedereen komen kijken naar mijn kamer en me complimenteren met mijn mooie kamer, ik was er trots op, zelfs Dhr. Kleijnen kwam. Mijn directeur liep elke morgen langs zei mij niks meer en dus al helemaal niets over mijn kamer.
Deze voorbeelden zijn maar een greep uit tientallen andere voorbeelden. Ik wil ik alleen maar aangeven dat ik onder een chef en directeur iets anders zie. Het liefst regel ik me alles zelf, maar sommige culturen binnen de hogeschool laten dit helaas niet toe.
Op 1 augustus 1999 werd ik dan in dienst genomen van de Hogeschool Limburg. Het eerste wat ik me geregeld had was dat ik meteen een functioneringsgesprek wilde hebben, ook omdat het eerder aangehaalde punt uit dat verslag met het kenmerk: OPT\VC.01 niet was uitgevoerd. Op 7 september 1999 had ik eindelijk mijn functioneringsgesprek. Van te voren was er een agenda opgesteld en dhr. Janssen vroeg aan mij of dhr. Kleijnen aanwezig kon zijn bij het gesprek. Met dit laatste ben ik niet akkoord gegaan, want het betrof toch mijn functioneringsgesprek.
In het begin van het gesprek zei ik tegen dhr. Janssen dat ik de indruk had gekregen, dat ik de laatste 2 jaar en 8 maanden genegeerd werd door hem en dat ik niet de indruk had dat ik een lid was van de dienst O&O. Tot mijn stomme verbazing zei hij dat, dat ook zo was en hij eigenlijk nooit had geweten wat hij met mij aan moest binnen de dienst O&O.
Nadat ik hem de knelpunten van mijn werksituatie verteld had en dat ik graag wilde dat maar een persoon mijn planning zou doen en het liefste zou ik dat zelf willen doen , kreeg ik als antwoord dat hij met dhr. Kleijnen daarover niet wilde spreken. Op de vraag waarom, kreeg ik geen antwoord. Als het in een gesprek aan de orde kwam, dan zou er pas over gesproken worden.
Ik heb hier eigenlijk geen woorden voor. Dat dit allemaal kan, begrijp ik niet. Het functioneringsgesprek is onder andere in het leven geroepen om het functioneren tussen directeuren, chefs en werknemers te bevorderen.
Op de morgen van 9 september heb ik dan het gesprek over mijn functiebeschrijving. Tijdens dit gesprek nam ik dus zelf het initiatief om het probleem van de planning aan de orde te brengen. Meteen werd er een gesprek georganiseerd dat op 9 september in de middag zou plaats vinden. Ik heb op vijf verschillende manieren geprobeerd mijn probleem naar voren te brengen. Dhr. Janssen had niet aanwezig hoeven te zijn want hij heeft al die tijd niks gezegd. Dhr. Kleijnen wist het verhaal altijd weer zo te omzeilen dat het probleem uiteindelijk weer bij mij op het bordje lag. Op het einde heb ik alleen nog maar gevraagd of ik de planning zelf kon doen, en daarmee ging men akkoord. Zowel dhr. Kleijnen als dhr. Janssen.
Op 10 oktober 1998 krijg ik last van een niersteen. Ik meld me op 12 oktober ziek.
Omdat enkele studenten die moesten afstuderen, in de problemen kwamen heb ik me de software thuis laten bezorgen. Zelfs toen stond ik in dienst van mijn klanten en de Hogeschool. Na enkele weken heeft dhr. Heijenrath mij opgebeld. Iets wat ik zeer op prijs stelde. Ik heb met hem gepraat over hoe het met me ging en over de problemen die ik had bij de dienst O&O. In dit gesprek vertelde hij me dat Jan Kleijnen niet mijn chef was, maar gewoon een collega binnen de dienst O&O. De directeur dhr. Janssen heeft mij dus 2 jaar en 11 maanden mij een chef gegeven zodat hij geen last van me had. Iemand die geen bevoegdheid had om chef te zijn. Ik had heel wat problemen minder gehad als ik dat eerder geweten had.
De hele film van de laatste drie jaar kwam weer voorbij. Want tijdens mijn niersteen was die al eens een keer voorbij gekomen. De pijn van een niersteen is zo hevig dat je denkt dat je tijd op deze wereld voorbij is. Alles wat je mee gemaakt heb trekt aan je voorbij. En dan komt er plotseling de mededeling dat dhr. Kleijnen de afgelopen drie jaar niet mijn chef is geweest. De hele film van de laatste drie jaar komt weer terug, maar dan met een heleboel woede en ergernis. Alle stress met die man was gewoon niet nodig geweest. Al die keren dat hij mij voor schut zette was gewoon niet nodig geweest. Ik kan me het voorval niet meer precies herinneren maar ik heb eens de hulp van Bijsmans moeten inroepen, omdat ik anders toen al overspannen was geraakt van die man. Bijsmans zei me toen; dat ik eerder naar hem toe moest komen. Maar waarom heb ik dan een chef, als ik voor iets gedaan te krijgen, naar Bijsmans moet gaan, dacht ik toen.
VB
Het vorig jaar komt een docent naar me toe, ik zal hem XX noemen, voor het maken van 2 enquêtes op 2 verschillende tijdstippen. De eerste enquête ging hartstikke goed en de heer XX was zeer tevreden over mijn werk.
Een paar maanden daarna kwam hij met de tweede enquête. Ik hou een voorbespreking met hem over die enquête en spreek met hem de layout af. Het is een hele grote enquête van ongeveer een 750 vragen. Ik heb XX nog medegedeeld dat ik nu in een hele drukke periode zat, maar binnen 3 weken had ik hem klaar. Dat was wel goed zei XX en vertrok. Ik ben een erg commutatieve persoonlijkheid en heb dus met dhr. Kleijnen constant gecommuniceerd hierover, ook omdat ik tijd moet krijgen om zo een grote enquête te maken. XX was op een woensdag bij me geweest. De maandag daarna wilde ik aan de enquête beginnen, toen Dhr. Kleijnen mijn kamer op kwam, met 2 enquêtes van de HTS waarover van tevoren totaal geen overleg over had plaatsgevonden. Vincent deze enquêtes moet je het eerste maken. Die moeten vrijdag klaar zijn. Ik zeg Jan dat gaat niet, want ik zit met die enquête van XX en ik hem beloofd hem zo vlug als mogelijk te maken. Heb ik niets mee te maken Vincent ik ben je chef en deze gaan voor. Ik probeer nog met dhr. Kleijnen te praten: XX gaat moeilijk doen als ik die niet het eerste maak. Als XX moeilijk doet, stuur je hem maar naar mij; zei dhr. Kleijnen. Dhr. Kleijnen vertrok en ik legde de enquête van XX weg en wil aan de enquêtes van dhr. Kleijnen beginnen. Gaat de telefoon, ik pak op, heb ik aan de andere kant van de lijn XX. Vincent ben je al met mijn enquête begonnen. Ik zeg: ja, maar ik moest eerst twee enquêtes voor dhr. Kleijnen maken dat was er plotseling tussen gekomen. Toen begon XX: Vincent dat kan niet want ik moet die van mij deze week hebben anders kom ik in tijdnood. Ik zeg XX ik heb nog twee weken de tijd om dat ding te maken, daar had hij niks mee te maken en zo ging dat door 10 minuten gezeur aan mijn kop. Ik heb op het laatst tegen hem gezegd: XX hoe langer we praten hoe later dat het wordt dat ik aan je enquête kan beginnen. Hij hing toen op. De enquêtes van dhr. Kleijnen weer aan de kant gelegd en begonnen aan de enquête van XX. Ik werk daar bijna 3 dagen aan. Woensdagmiddag stuur ik de enquête op. Toen begonnen aan de enquêtes van dhr. Kleijnen, want die moesten ook nog voor vrijdag klaar. Donderdags belt XX op, bedankt me dat ik dan toch nog de enquête gemaakt heb en vraagt of hij het vrijdags kon langs komen omdat er kleine dingen verandert moesten worden. Ik zeg dat hij vrijdag om 12 uur kon komen. Toen ik de enquêtes van dhr. Kleijnen bij hem aflever zeg ik nog tegen hem dat XX de dag erna zou komen. Toen kreeg ik weer de bevestiging dat als XX moeilijk deed dat ik hem naar hem kon sturen.
Vrijdag om 12 uur kwam XX. Het was geen kleinigheid wat verandert moest worden, de hele layout moest anders, ik heb hem er nog op gewezen dat ik dan een nieuwe enquête moest maken en dat ik daar weer een termijn van 3 weken voor kreeg. Bovendien was de nieuwe layout niet afgesproken in de voorgesprekken. Had hij niks mee te maken vond XX. Na drie kwartier verwensingen en schelden van XX kreeg ik er genoeg van en stuurde hem door naar dhr. Kleijnen. En wat gebeurd er, ze komen met hun tweeën terug en beginnen mij met hun tweeën uit te schelden. Waar iedereen mee kan luisteren voor het hele CB werd ik eventjes voor schut gezet. Door iemand die achteraf alleen maar een collega blijkt te zijn. En wat ik het ergste vind. Stel ik was verkeerd geweest, dan nog had hij voor mij moeten opkomen en had dat achteraf nog altijd in een gesprek rechtgezet kunnen worden. Maar niets van dit alles, spreek je hem er nu over aan dan kan hij zich niets meer herinneren, of hij zegt ik heb hem van te voren niet ingelicht over XX. En in die drie jaar zijn voordurend van die incidenten geweest. Ik heb er een maagzweer van gekregen, een oogontsteking en een niersteen. En allemaal voor de ergernis die niet nodig was. Ik heb er geen woorden voor.
Ik heb sinds ik werkzaam ben (1968) geleerd om over je werk te communiceren. Als je een auto gemaakt hebt, kom je altijd bij je chefmonteur verantwoording af te leggen over dat wat je gedaan en niet gedaan hebt. In het autovak hangen daar mensenlevens vanaf als je het niet zou doen. Dat is mijn leerschool geweest en ik weet niet beter. Ik communiceer altijd over dat wat ik doe.
Dhr. Kleijnen is een vriendelijke man, maar hij geeft zelf toe dat 15 jaar geleden toen hij nog voor de klas stond de studenten over hem heen liepen. Als ik hoor dat hij met lood in de schoenen naar mij toekomt om iets te vragen, dan is dat niet alleen bij mij zo. Zolang het niet in zijn belang is heeft hij loden schoenen, of hij mij iets moet vragen of dhr. Janssen of dhr. Hursel of dhr. Bijsmans dat maakt niks uit. Als ik hem in een werkbespreking iets vraag en hij zegt dat toe, dan duurt het weken voordat hij het uitvoert. Want iets vragen aan anderen gebeurt dan met loden schoenen. Er gebeurde alleen maar iets als ik dreigde met thuis blijven. Ik vind dit geen gezonde basis. Ik had al die weken niet hoeven te wachten. Hij was gewoon mijn chef niet
Ik ga nu maar verder met het verhaal, want als ik al mijn woede op papier moet zetten schrijf ik nog een paar kantjes vol
Ik ben na een maand thuis zijn weer gaan werken. Eigenlijk te vroeg na achter af bleek. De steen die ik had was verbrokkeld en was pas helemaal weg na twee weken dat ik aan het werken was. Ik was gaan werken, omdat de week erna een open dag was in het nieuwe gebouw, voor de eerste keer. Omdat daar een enquête voor ontwikkeld was, zou het interessant geweest zijn om achteraf de faculteiten naast elkaar te kunnen leggen. Op de Faculteit TM na werkte iedereen mee en waren ze blij dat ik weer terug was.
U kunt begrijpen dat ik een stapel werk had toen ik terug kwam. In overleg met dhr. Kleijnen werd er een prioriteitenlijst aangelegd.
De woensdag voor de open dag komt Taco Bischereau, een medewerker van de FD, met een opdracht voor een enquête. Ik heb hem gevraagd of deze enquête snel gemaakt moest worden, of dat hij even kon wachten. Hij deelde mee dat de enquête even kon wachten. Ik ging dus verder met het afwerken van prioriteitenlijst.
De vrijdagmorgen van die week zit ik op het secretariaat mijn E-mail te controleren. Ik was nog steeds niet aangesloten op het netwerk en ik moest dit meestal doen op een andere computer. Meestal koos ik hiervoor de computer van Jaqueline Sarac.
Op een gegeven moment komt dhr. Kleijnen het secretariaat op met de mededeling dat ik de enquête van de FD (Bischereau) het eerste moest maken. Ik deelde hem mee, dat ik daar afspraken over gemaakt had, met dhr. Bischereau en dat de planning van mijn werk bij mij lag, want daar waren in september afspraken over gemaakt. Met die afspraken had hij niks mee te maken want hij was mijn chef en in die persoonlijkheid moest ik doen wat hij zei. Ik deelde hem mee dat dhr. Heijenrath mij verteld had dat hij na de fusie nooit mijn chef is geweest, maar dat men mij in die waan had gelaten. Daarop volgde het antwoordt dat, dit niet zo was want dhr. Heijenrath wist niet waar hij het over had, volgens dhr. Kleijnen. Ik heb hem nog gezegd dat hij dan maar eens een gesprek moest gaan voeren met dhr. Heijenrath en dat ik de FD wel zou opbellen. Dit laatste heb ik gedaan. De enquête was om drie uur in die middag klaar. Om vier uur is Henny Stijnen de enquête komen halen en bedankte zich voor de snelle service. Ik had op dat moment het incident vergeten. Hoewel ik het zeer onbeschoft vond dat men mij aansprak op die manier waar iedereen bijzat. Hij had ook kunnen zeggen toen hij het secretariaat binnen kwam: “Vincent heb je even tijd voor mij, kun je naar mijn kamer komen, want ik moet iets met je bespreken.” En dan was ik niet voor paal gezet voor alle secretaressen, die de situatie niet kennen en dan al snel verkeerde conclusies trekken.
De maandag daarna precies om half vijf kwam dhr. Kleijnen bij mij de kamer op. Ik stond op het punt om naar huis te gaan. Ik was op die dag om 8 uur begonnen en ik moest om 5 uur thuis zijn omdat ik een afspraak had.
Hij moest me even spreken over het incident van die vrijdag j.l. Ik deelde hem mee dat ik geen tijd had en dat ik naar huis moest. Daar had hij niks mee te maken ik moest hier blijven. Hij begon met het feit dat hij nog altijd inbreuk moest kunnen doen op mijn planning. Ik deelde hem mee dat dit zonder overleg niet kan. Op 9 september waren daar afspraken over gemaakt. Daar had hij niets me te maken, want hij was mijn chef. Ik deelde hem mee dat volgens dhr. Heijenrath hij mijn chef niet was. Met dhr. Heijenrath had hij ook niks te maken. Want dat waren afspraken tussen dhr. Janssen en hem. Zo ging het gesprek een hele tijd op en neer. Hij stond niet toe dat ik de kamer verliet. Ik heb nog een poging gedaan door te zeggen. Laten we wachten tot Frank terug is (want die was op dat moment ziek), ook dat hielp niet. Het verhaal begon weer van vooraf aan. Ik heb mijn tas dicht gedaan, mijn jas gepakt en tegen hem gezegd, “het is ook altijd weer het zelfde, Sie haben es wieder nicht gewust. Ik pak me de ziekenkaart want dit houd ik niet vol”. Hij is me nagelopen tot in de fietsenstalling, heeft daar nog een scène gemaakt, waar ik alleen tegen hem gezegd heb: Jan sodemieter op, want ik heb geen tijd. In de Zuster Xavierstraat ben ik Jos Laeven tegengekomen van de Pabo. Bij hem, en bij hem kan dat ook, heb ik mijn emoties de vrije loop gelaten.
In de loop van de avond tegen 9 uur heb ik een vriendin gebeld, om 1 uur in die nacht hingen we pas op ik had drie uur iemand nodig om een beetje op rust te komen. Die nacht heb ik geen oog dicht gedaan. De dag erna toen dhr. Kleijnen op mijn kamer kwam, ik was toch weer gaan werken, want mijn klanten komen op de eerste plaats, heb ik gezegd dat ik er niet meer over wilde praten totdat Frank terug was. Dat was ook niet nodig zei hij toen, want het bestuur was al op de hoogte dat ik volgens zijn zeggen Hitler tegen hem gezegd had.
Ik heb nooit en te nimmer Hitler tegen hem gezegd, dit is een van de belangrijkste oorzaken dat ik nu thuis zit. Ik kan vanuit mijn karakter niet tegen onrecht. En vals beschuldigd worden is zo een onrecht.
De dag daarna kwam nog iemand vragen voor mijn kamer deur hoe het met dhr. Kleijnen ging. Hoe het met mij ging was niet belangrijk, dat doet pijn.
Toen dhr. Janssen terug kwam, heb ik meteen met hem gesproken en hem exact verteld wat ik gezegd heb. Er kwam een gesprek tussen dhr. Kleijnen, dhr. Janssen en ondergetekende. In dat gesprek ontkende dhr. Kleijnen alles. Het waren allemaal verzinsels. Het incident bij het secretariaat was niet gebeurd en hij was mij ook niet gevolgd tot in de fietsenkelder. Ik heb toen gezegd dat wat het secretariaat betrof wel een van de secretaressen die toen aanwezig waren erbij wilde halen, en wat de fietsenstalling betrof wilde ik wel die docent er bij halen die toen aanwezig was. Hierop gaf hij die incidenten toe. Maar het was natuurlijk niet zo gegaan zoals ik dat zei. Hij was steeds de vriendelijkheid zelf geweest en ik het varken. Omdat ik wilde bewijzen dat hij zich vaker dingen niet kan herinneren en dat hij zich wel vaker niet aan afspraken hield. Heb ik een voorbeeld gepakt van een werkoverleg dat ik begin september met hem gehad heb. Hij zou mij 15 september drie enquêtes aanleveren en 22 september nog een enquête. De enquêtes heeft hij die datums nooit aangeleverd. Hierop zei dhr. Kleijnen dat hij die afspraken nooit had gemaakt. Ik heb me op dat moment even verontschuldigt, ben naar mijn kamer gelopen om het briefje te pakken waar hij met zijn eigen handschrift de datums opgeschreven had. Het was even stil in de kamer van dhr. Janssen. Ik had eventjes de ongeloofwaardigheid van dhr. Kleijnen aangetoond. Op die 6 jaar had ik eens een briefje bewaard. Maar de stilte was van korte duur. Het antwoord was dat dit streefdatums waren. Eerst ontkennen dat hij ooit die afspraken had gemaakt en toen waren het opeens streefdatums. Mijn antwoord hierop was, dat ik op streefdatums geen planning kan maken.
Op einde van het gesprek vond ik dat dhr. Kleijnen zich moest verontschuldigen voor:
Het incident van die vrijdag.
Dat hij me onterecht heeft tegen gehouden op de maandag daarna om 16.30 uur.
En dat hij me daarna voorschut gezet heeft in de fietsenstalling.
Bovendien vond ik dat het verhaal dat bij het College van Bestuur terecht gekomen was gecorrigeerd werd en naar de juiste propporties terug gebracht werd.
Ik heb nog opgemerkt dat ik nimmer het woord Hitler in mijn mond heb gehad, en dat ik me best voor die Duitse zin wil verontschuldigen als het College van Bestuur op de juiste wijze werd ingelicht . Ook hier werd niet op ingegaan.
Er volgde een gesprek met dhr. Janssen apart. In dit gesprek gaf dhr. Janssen mij gelijk de incidenten hadden nooit mogen gebeuren. Dit zou hij ook dhr. Kleijnen in een apart gesprek mededelen werd mij herhaaldelijk verzekert. Echter het verhaal bij het College van Bestuur ging hij niet recht zetten. Ondanks dat ik tegen hem zei dat dit slecht was voor de verhoudingen binnen het team O&O was, bleef hij bij zijn standpunt. Ik kon kiezen of ik een supervisor wilde hebben, ondanks dat ik niet wist wat het inhield en dhr. Janssen mij dit ook niet kon uitleggen heb ik me wel bereid gevonden hierop in te gaan. Je ben nooit te oud om wat te leren dacht ik.
In de weken daarna veranderde niks. Dhr. Kleijnen ging op de oude voet verder. Ik ben tot viermaal toe met dhr. Janssen gaan praten over het nog steeds het chefgedrag van dhr. Kleijnen en over het rechtzetten van het Hitlerverhaal bij het CvB. Het enige wat hij zei dat ik geduld moest hebben, maar ondertussen kon ik het allemaal niet meer verwerken. Er was mij onrecht aangedaan. De directeur van de dienst had het toegegeven, maar er veranderde niets. Dit kan en kon ik niet begrijpen.
Op een vrijdag toen ik het in de middag naar de Supervisor zou gaan heb ik bij dhr. Janssen nog eens een poging gedaan om correctie op het verhaal te krijgen. Hij weigerde. Een beetje verstoord liep ik in de middag toen naar buiten. Dhr. K. zag dat en vroeg aan mij of ik ziek was. Ik heb toen gezegd dat ik inderdaad ziek was, maar niet lichamelijk. Ik heb nu geen tijd, om daar verder op in te gaan. De dinsdag daaraan was ik in de middag even op zijn kamer. Ik kom wel vaker bij Dhr. K., omdat ik had gedacht dat hij iemand was die naar twee kanten kon luisteren en ook omdat we dezelfde merk computer hebben. Hij vroeg mij of ik soms privé problemen had. Nee, was mijn antwoord. De problemen lagen binnen de hogeschool. In grote lijnen vertelde ik mijn verhaal. Ik moest niet zeuren zei hij, want ik had Hitler tegen dhr. Kleijnen gezegd en het CvB was bezig met maatregelen tegen mij. Hierop heb ik zijn kamer woedend verlaten. Twintig minuten erna kwam hij bij mij op mijn kamer en eiste dat ik me bij hem moest verontschuldigen. Ik heb hem er op gewezen als hier verontschuldigingen op zijn plaats waren dan moesten die van hem komen. Had hij de moeite genomen om naar mijn verhaal te luisteren? Nee, gewoon veroordeelt, zonder hoor en wederhoor. Vier maal ben ik bij Dhr. K. thuis geweest , in die tijd dat het speelde, om zijn computer in orde te maken en nooit heeft hij enige moeite gedaan om navraag te doen. Ook een hele grote teleurstelling voor mij omdat ik Dhr. K. blindelings vertrouwde, en dan dit.
Twee weken daarna op vrijdag 22 januari, ben ik naar de supervisor gegaan. Het was de vierde keer en naar vier keer zouden we besluiten of we verder gingen met de sessies. Ik zelf had er wel zin in, want ik vond dat ik daar toch wat leerde en misschien kon hij mij trucjes leren om mij beter te beheersen. En hij vond ook dat we verder moesten gaan. In eerdere gesprekken is er afgesproken dat wat ik daar vertelde, nooit buiten die kamer kwam.
Dhr. de Smet vroeg aan mij of ik het dhr. Janssen wilde mededelen of dat hij dat moest doen. Mijn antwoord hierop was; dat hij dat moest doen omdat dat vanaf het begin zo afgesproken was. Bovendien had ik de laatste tijd de indruk dat hij me weer negeerde, ik had nieuwe meubels gekregen. Mijn nieuwe computer was aangesloten. Iedereen was even komen kijken, zelfs dhr. Kleijnen, maar dhr. Janssen liep elke dag langs zei geen goeie morgen en kwam nog niet eens binnen.
Ik heb het die keer nog gehad met dhr. de Smet of het niet beter zou zijn, dat als dhr. Janssen kwam met: heb je even tijd voor me? Hem een agenda voor zo een bespreking te laten maken zodat ik me kon voorbereiden. Dhr. de Smet vond dit een uitstekend idee.
Dinsdag 26 januari kwam rond 9 uur dhr. Janssen de kamer op met de vraag of ik even tijd had die dag. Ik heb hem gezegd dat ik die week geen tijd had, omdat er PGO was van FD studenten die allerlei onderzoeken doen en ik dan stik van het werk, want die onderzoeken moeten binnen 2 weken plaatsvinden. En dit jaar had ik 5 groepen. Tevens vroeg ik hem of hij mij een agenda kon geven zodat ik me kon voorbereiden. Hierop viel hij zo tegen me uit met woorden: dat ik altijd iets te zeiken had, dat ik hem de laatste tijd zat te negeren en als ik mijn houding niet veranderde zou, hij ver reikende maatregelen tegen mij zou nemen. Hij verliet daarop mijn kamer. Ik kon niet meer, ik was op, na die woede-uitval. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik heb nog geprobeerd om 5 E-mailtjes te versturen dit lukte zelfs niet meer. Het eenvoudigste lukte niet meer. Ik heb nog even gedacht aan de PGO-studenten. Maar het ging niet meer. Geestelijk was ik kapot. Een directeur die mij bijna 3 jaar negeert, dit ook nog toegeeft, beschuldigt mij dat ik hem negeer. Ik probeer mijn houding te veranderen, maar wordt daarop aangevallen. Ik begrijp het niet meer.
Ik heb me ziek gemeld bij dhr. Janssen en ben naar huis gegaan. Thuisgekomen heb ik eerst nog mijn afspraak afgebeld die ik die middag had en daarna heb ik de Arbo-dienst gebeld en mezelf ziek gemeld en meteen een afspraak gemaakt. Dhr. Janssen heeft me nog vier keer lastig gevallen waar ik geen prijs opstelde. Zelfs in mijn huis was ik niet veilig voor hem.
In de loop van de week heb ik nog contact gehad met de Supervisor om hem mede te delen dat ik voorlopig wilde stoppen. Ik heb hem nog gevraagd wanneer hij dhr. Janssen had gebeld. Dat was dinsdagmorgen geweest voor 9 uur. Dhr. de Smet is een oud docent van Gedrag en Maatschappij heb ik vernomen van een andere docent van Gedrag en Maatschappij . Dhr. Janssen heeft mij voordat ik aan dat gedoe met die Supervisor begon er op gewezen dat er op geen enkele manier er ooit een verbinding was of is geweest met Dhr. de Smet m.a.w. deze persoon was volkomen onafhankelijk. Ook in dat opzicht heeft hij mij iets voorgespiegeld wat niet op waarheid beruste. Dhr. de Smet en dhr. Janssen waren oud collegae
Ik ben dus niet thuis gebleven, omdat ik het niet eens was met de HIO studenten.
Dat verhaal wil ik dan ook nog wel in de juiste proporties terugzetten. Op het moment dat ik zeker was van een vaste aanstelling bij de hogeschool, begin januari 1996, heb ik dhr. Kleijnen verzocht om een vervanger voor mij te zoeken voor het geval dat ik ziek werd.
Dit verzoek heb ik elk werkoverleg daarna herhaald, tot dat dhr. Kleijnen mij verzekerde dat hij de vraag bij het CvB had neergelegd. Ik heb daarna, omdat ik niets meer hoorde, er nog met dhr. K. over gehad. Hij zei toen tegen mij: Vincent een vervanger voor jou is binnen de hogeschool niet te vinden. Ik heb me er bij neergelegd en er niet verder naar gevraagd.
Bijna drie jaar daarna ben ik een maand ziek, opeens moet er een vervanging komen. Als het kalf verdronken is dempt men de put. Dhr. Kleijnen komt in een werkoverleg van ons twee, met het voorstel, dat het nu maar eens tijd werd voor vervanging van mij bij ziekte, Ik heb hem toen gezegd dat het overleg daarover niet bij hem hoort te zijn, maar bij Frank Janssen, want hij is de directeur en personele zaken moet hij bespreken. Bovendien had ik het drie jaar geleden al om verzocht dus ik had er geen bezwaar tegen. Ondanks dat, meende dhr. Kleijnen zijn idee over vervanging van mij, te moeten uiten. Ik heb toen gezegd dat ik hierover moet nadenken, maar in mijn eerste reactie had ik liever continuïteit in plaats van HIO studenten, want die HIO studenten was volgens dhr Kleijnen de beste oplossing.
Ik weet niet meer hoelang daarna, kan 1 of 2 weken zijn kwam dhr. Janssen met zijn bekende: Vincent heb je even tijd? Ik had toen ook geen tijd, maar ben toch op het verzoek ingegaan. Hij deed toen dat voorstel van die HIO studenten, omdat ik het voorstel kende had ik dus ook in die tussentijd een argumentering klaar, waarom ik het geen goed voorstel vond.
Ik vind en vond dat er continuïteit moet zijn in de vervanger. Ik leidt iemand op, en die student vertrekt na twee jaar. Na die twee jaar moet ik weer iemand opleiden. Ik weet nu al niet meer waar ik de tijd vandaan moet halen om mijn werk klaar te krijgen, en het wordt niet minder. Integendeel, faculteiten worden afgerekend op kwaliteit en een van die instrumenten zijn enquêtes. Ik heb hem voorgesteld iemand te zoeken, die in dienst is van de hogeschool. Ik heb hem zelfs twee namen genoemd. Te weten dhr. Puinen van de PABO, die ook al eens ingevallen is toen het druk was bij de IT-dienst, en ook omdat ik het goed kan vinden met hem bovendien denk ik dat ik hem de software makkelijk kan bijbrengen, omdat hij op de PABO daar ook dagelijks mee bezig is, en ik heb dhr. Rijnders voorgesteld van Gezondheidszorg, omdat deze man de toetsbank doet. Deze man is bovendien erg geschikt, omdat hij ook vanuit die toetsbank weet om te gaan met statistische gegevens.
Er werden allerlei dingen erbij gesleept om mijn voorstel de grond in te boren, maar er was een moment dat ik hem met zijn eigen argumenten had vast gepraat. Hij wilde niets doen om mijn voorstel te onderzoeken. Ik heb hem nog gevraagd waarom we dan besprekingen houden als van te voren de beslissing toch al vast ligt. Ik had me er bij neergelegd, dat het HIO studenten zouden worden.
Mijn wegblijven heeft totaal niks te maken met die HIO studenten. Het heeft er alleen maar mee te maken dat een directeur de ene ondergeschikte wel in bescherming neemt en de andere niet.
Verdraagzaamheid kan men alleen verkrijgen door gelijkwaardigheid van alle mensen. Dit staat ergens in de hal op een bord geschreven. Ik ben het helemaal met die tekst eens.
Ik wil nog even in gaan op een punt.
De contacten van enkele mensen van de hogeschool.
De dag nadat ik thuis ben gebleven 27 januari, heeft dhr. Janssen op mijn antwoordapparaat ingesproken dat hij mij wilde spreken over mijn ziekte. Ik heb daarop niet gereageerd. Om 12 uur stond hij beneden aan de flat aan de deur ik heb 5 maal moeten vragen wie er aan de deur stond voordat hij kenbaar maakte dat hij het was. Hij wilde praten met mij over mijn ziekte. Ik heb hem meegedeeld, door de huistelefoon, dat ik dat niet aan kon. In de middag van die zelfde dag kijk ik om 16.00 uur mijn E-Mail na en vind het onderstaande bericht.
Beste Vincent,
Na telefoon en intercom / huisdeur rest mij nog deze weg om met je in
contact te komen.
Ik zit met een aantal zeer urgente vragen die betrekking hebben op de
toelevering van de afdelingsspecifieke gegevens uit het onderzoek voor
Atrium dat is uitgevoerd door de FD-studenten Cortenraedt en Hulst. Dezen en
ook Dhr. Wijn (Atrium) zouden uiterlijk vandaag in het bezit moeten zijn van
de resultaten. Zonder jou hebben wij daar geen toegang tot. Daarom wil ik je
vragen mij te laten weten of er een weg is om de gegevens uit het
betreffende bestand (158TOT.DOC) op tafel te krijgen.
Ik moet voor 14.30 uur de genoemde studenten en Atrium op de hoogte stellen.
Frank Janssen.
Ook hierop heb ik niet gereageerd, maar ik voelde me wel bedreigt.
Maandag 1 februari om 15.00 uur belt dhr. Janssen weer. Toen ik de naam hoorde heb ik opgelegd. Ik heb de Psycholoog van de ARBO-dienst verzocht, of hij hier iets aan kon doen.
Een paar weken geleden heeft G. K. opgebeld. Hij heeft niet te kennen gegeven dat hij in naam van het CvB sprak. Ik heb begrepen dat hij uit persoonlijke titel met mij sprak. Ik heb hem gevraagd zijn E-mail adres te geven en het aan mij over te laten wanneer ik weer contact met hem opnam.
Ik heb het volgend E-mail gekregen. Ook hieruit blijkt, dat hij niet als vertegenwoordiger van het CvB sprak.
Vincent,
hierbij mijn email adres gK.@knoware.nl. Mede door enkele problemen
met de imac (opstarten en verbinding met maken met internet) heeft het
wat langer geduurd. Ik wens je alle goeds en sterkte!
G.
Ik mail met enkele mensen binnen de hogeschool. En dat doet me goed. Het draagt bij aan mijn herstel. Het gaat nooit over de hogeschool, maar over een heleboel andere leuke dingen waardoor ik toch het gevoel heb, dat ik er nog bij hoor.
Alles nog eens eventjes op een rijtje gezet:
Toen we begonnen op 24 augustus in het nieuwe gebouw was ik een gelukkig en tevreden man. Eindelijk alles in een gebouw. De logistieke problemen waar ik veel mee te maken had in de oude situatie waren voorbij. Ik kon nu gewoon naar de mensen toegaan en dat heb ik ook gedaan. Ik ben me aan iedereen gaan voorstellen. Bij de mensen die ik vroeger alleen maar van de telefoongesprekken kende. Ik was in dienst van de hogeschool wat kon me nog gebeuren. Iedereen die me kende zei me vriendelijk goeie dag, het was net als of alles anders was.
Maar geluk duurt meestal maar even. Lekker is maar inge vinger lank, zei mijn moeder altijd. En dat was ook zo.
De eerste twee klappen kreeg ik op 7 september in het functioneringsgesprek.
De derde klap op die woensdagmiddag 9 september, toen dhr. Janssen geen poot uitstak in het gesprek met dhr. Kleijnen.
De vierde klap kreeg ik, en die kwam hard aan, toen ik hoorde dat dhr. Kleijnen de afgelopen drie jaar niet mijn chef is geweest, verteld door dhr. Heijenrath. Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Limburg
De vijfde klap kreeg ik toen ik mijn functiebeschrijving kreeg en deze onafhankelijk liet controleren, met toestemming van dhr. Janssen, door twee mensen op personeelsafdelingen van grote instellingen. Beide zeiden onafhankelijk van elkaar dat ze zoiets slechts nog nooit gezien hadden. Het was gewoon een kopie van de oude.
De zesde klap kreeg toen ik voor zeik werd gezet door dhr. Kleijnen t.a.v. derden in dit geval het secretariaat.
De zevende klap kreeg ik, toen ik die maandagavond onterecht ben tegengehouden op een autoritaire manier, hij ging zijn boekje helemaal te buiten.
De achtste klap toen dhr. Kleijnen een onwaar verhaal bij het CvB had neergelegd
De negende klap kwam, toen dhr. Kleijnen alles ontkende in het gesprek met dhr. Janssen.
Maar de grootste klap heb ik gekregen van het feit dat het onware verhaal niet werd gecorrigeerd werd, ondanks het feit dat dhr. Janssen in een persoonlijk gesprek mij in het gelijk stelde. Zowel het CvB als dhr. Janssen hebben niks gedaan om de waarheid te onderzoeken cq te vertellen. Ik werd alleen maar bedreigd door maatregelen van beide.
(Dhr. K. vertelde me dat hij tijdens een of andere vergadering mij nog de hand boven het hoofd heeft gehouden. Gewoon praten met beide partijen dan zijn die handen niet nodig heb ik hem gezegd.)
Misschien heb ik zelf nog wel de grootste fout gemaakt, ik had gewoon op eigen initiatief naar dhr. Heijenrath moeten gaan en dan was ik ook niet overspannen geraakt, maar dat heb ik niet gedaan in de heilige overtuiging, dat dit hoort tot de taken van een directeur:
Iedereen gelijkwaardig behandelen.
Vincent
Ter verduidelijking uitleg over enkele namen.
Leon Souren: Docent Informatica PABO en mijn Chef op die PABO
Dhr. Heijenrath : Voorzitter van het College van bestuur.
Dhr. F. Janssen Directeur Dienst O&O, de dienst waar ik werkzaam was.
Dhr. J. Kleijnen Senior Beleidsmedewerker van de Dienst O&O en mijn Chef bij die dienst.
Dhr. Bijsmans: Lid van het College van bestuur
Dhr. G.K. Secretaris College van Bestuur
Een dagje enquêtes maken.
Maandagmorgen.
8.00 uur Ik ben op me werk. Zie een paar mensen rond lopen en zeg hun goeie morgen. Loop naar mijn postbakje en kijk of ik post heb. Ga naar mijn kantoor.
Kijk in m’n agenda en zie dat ik, om negen uur in het ziekenhuis moet zijn voor een enquête waar studenten bij betrokken zijn. De enquête is al ontworpen en verdeeld onder het personeel. Voorlichting van het ziekenhuis over de voortgang en de logistieke afhandeling. Samen met een docent van FD ga ik er heen. Ik zou om half negen op de parkeerplaats op hem wachten.
8.05 uur De telefoon gaat. Directeur van Ergo belt voor een verwerking van een enquête die al eens eerder verwerkt is. Hij heeft er nog 30 binnen gekregen, of ik die nog erbij kan doen, want dan komt hij op een opkomst van 60%. Ik maak hem erop attent dat dit niet de normale gang van zaken is, maar ik zeg dat hij ze langs kan brengen, want dan maak ik ze in de loop van de week, want vandaag heb ik geen tijd. Hij had het toch graag voor dinsdagmiddag gehad, want dan komt de uitwerking in de vergadering. Ik zeg hem toe mijn best te doen.
8.10 uur Directeur Ergo loopt binnen en legt enquêtes op tafel. Ik pak ze uit start het scanprogramma op lees de enquêtes in en ben daar om 8.15 meer klaar.
8.15 uur Zet de scanfiles om in SPSS-bestand en koppel het bestand aan het oude bestand in SPSS. Start het al eerder gemaakte programma voor de analyse, kopieer de uitslag en zet die in de tekstverwerker. Werk de tekst bij in de tekstverwerker. Gelukkig heb ik die ook voor de helft geautomatiseerd, zodat dat lekker snel gaat.
8.25 uur Bel directeur Ergo op dat hij de uitslag kan komen halen, op het secretariaat, ik moet nu weg en ben dus niet op mijn kamer. Hij bedankt me voor de snelle service. Ik doe mijn jas aan en ga naar de parkeerplaats. Wacht daar 3 minuten en om 8.30 komt de docent van FD.
8.30 uur Stel me even voor, en de docent stelt zich ook voor. Ik vraag wat zijn rol in deze enquête, en hij zegt dat hij de coördinerende docent is van deze PGO groep. PGO, maar dat is mij niet meegedeeld denk ik. Ik zeg, oh is er PGO van de FD deze twee weken. Ja zegt hij. Ik krijg het Spaans benauwd want daar is geen rekening meegehouden. PGO-FD betekend dat groepen studenten onderzoek doen en enkel groepen maken dan gebruik van mij faciliteiten, ondanks dat elk jaar vraag om de datums is dit ook dit jaar weer niet gebeurd.
9.00 uur zijn we in bespreking met de mensen van het ziekenhuis die daar de enquête coördineren.
9.30 uur aparte bespreking met de studenten want er zijn enkele logistieke problemen die betrekking hebben op vragen op het formulier. Ik reik hun oplossingen aan en maak daar afspraken over. Zij geven mij een telefoonnummer, zodat ik, als er problemen zijn, iemand van de groep kan spreken.
10.30 uur Ik kom terug op mijn werk. In de auto heeft de FD docent me bedankt dat ik was meegekomen, want hij had niet gedacht dat er nog problemen konden zijn, maar ze waren nu, door de voorstellen, goed opgelost.
Tegenover mijn kamer op het zitje zitten 6 studenten. Ik zeg ze goeie dag en vraag of ze voor mij komen of voor iemand anders. Ze zeiden dat ze voor meneer Crutzen komen. Ik zeg hun, dat ik dat ben en stel me voor. Het bleken 2 PGO groepen te zijn. Een groep met 2 en een groep met een enquête. Ik laat de groepen een voor een binnen komen, kijk vluchtig naar de inhoudelijke teksten. En geef adviezen hoe ze de enquête moeten bijstellen. We spreken af dat, als ik meer fouten ontdek dat ik die zonder ruggespraak kan veranderen, want tijd voor lange besprekingen heb ik niet. De goedkeuring en een telefoonnummer wordt gegeven. En ik krijg de tweede groep. Ik handel hun op dezelfde manier af.
11.30 uur Pak de enquête van de eerste groep en begin er aan. Ik schat in dat ik die binnen een uurtje gemaakt kan hebben als ik niet meer gestoord wordt kan die voor de middag nog klaar zijn.
12.00 uur Student van ziekenhuis komt. We bespreken de logistieke veranderingen die in de enquête zijn aangebracht .
12.15 uur Ga verder met de eerste enquête, er staan meer fouten in dan ik dacht, maar ik weet ze allemaal op te lossen. Bel de student op en ze komen hem even daarna halen. Leg hun uit, wat ik verandert heb en hoe ze en waar ze moeten kopiëren.
12.45 uur Ik ga eten. Meestal zit ik daar alleen, vandaag ook weer. Eet mijn boterhammen snel op want om 13.00 uur heb ik een afspraak.
13.00 uur Afspraak met een student die moet afstuderen en die ik begeleid wat betreft haar onderzoek. Zij komt die middag voor extra analyses, en voor de verwerking daarvan in Excel.
Ik zeg haar dat er PGO is en dat er dan studenten kunnen komen met extra enquêtes. Ik vraag haar of ze bezwaar heeft als ik die studenten er tussen door pak. Ze zegt dat ze daar geen bezwaar tegen heeft. In de loop van de middag loopt Wino nog binnen, zonder aan te kloppen. De student maakt daar een opmerking over. Ik zeg niets en doe alsof ik gek ben. Ook Jan Kleijnen klopt aan en wil een werkbespreking organiseren in die week. Ik zeg Jan als het even kan de eerste twee weken niet, want ik heb PGO en je weet wat dat betekend. Jan gaat weer weg zonder iets te zeggen.
15.15 uur De computer hangt zich op. Probeer hem weer op te starten, maar dat lukt niet. Bel de IT-Dienst leg het probleem uit en vraag naar Sjaak. Ze weten niet waar hij is. Maar als hij zich meldt, sturen ze hem meteen door. Ik zeg tegen de student dat het vandaag hoogstwaarschijnlijk niets meer wordt en we maken een nieuwe afspraak voor de dinsdagmiddag onder de zelfde voorwaarden als ik haar geschilderd had van die middag.
Ik laat de student uit en wil naar het toilet gaan. In het voorbij gaan zie ik een stuk of 8 studenten zitten. Ik kom terug van het toilet en vraag of ze voor mij komen. Dit wordt bevestigd. Een paar studenten zijn van de ziekenhuisenquête. Dit weet ik snel af te handelen. De andere studenten komen voor een PGO-onderzoek dat duurt wat langer. Op het moment dat ik met de studenten zit te praten zie ik Sjaak langs lopen. Ik verontschuldig me even en trek hem aan zijn jasje. Vraag of hij al een melding heeft gekregen. Hij weet van niets. Leg hem mijn probleem even uit, en zegt me toe dat hij over een kwartier bij me is. Ga terug naar de studenten en handel dat zo vlug mogelijk af.
16.00 uur Sjaak komt checkt de computer en ontdekt wat er aan de hand is. Een schijfgedeelte is verkeerd geformatteerd. Moet een DOS-partitie worden zegt hij.
17.30 uur Sjaak heeft de computer hersteld, ik bedank hem voor de snelle service, en ga naar huis. Een uur te laat die dag. Weer een uur te laat, dit gaat de laatste 1,5 jaar constant zo. En die dag ook nog geen tijd gehad om tussen de middag te eten.
Dit is een normale werkdag, ik krijg het laatste anderhalf jaar geen tijd meer voor het lezen van literatuur, voor vergaderingen voor te bereiden, voor mijn archief bij te houden, om SPSS-cursussen te doen, enz. Ook andere bijscholingen schieten er bij in.
Ik heb die studenten als voorbeeld gepakt. Maar bij de docenten gaat het ook zo. Elke jaar vraag ik om datums en elk jaar gebeurt het niet. Ik vraag al jaren lang 3 weken ruimte voor een ontwerp, maar weinig mensen houden zich eraan. Tot 26 januari heb ik alles kunnen bolwerken. Toen ging het niet meer.
Ik weet zeker dat mijn leven anders gelopen had. Misschien had ik dan niet zoveel verdient, als dat ik dat op de hogeschool had, maar geld is ook niet alles. Natuurlijk had het ook zo kunnen zijn dat als ik meteen testosteron had gehad, dat ik in de omgang makkelijker was geweest en dat ik hoogstwaarschijnlijk meer had verdient. Dus wie zal het zeggen. Het leven is zo gelopen zo als het is gelopen. Met al zij ups en al zijn downs. De ups zaten in mijn privé leven bij alle mensen die een zeer belangrijke rol speelde en spelen in mijn leven.
Reint, Thijs, Wim, Wil, Annie, Margot,Tiel, Rim, Adje, Frans, Hub, Cor, Jo, Pauline, Ingvar, Micha, Thi-Lan, Arlette, Lisette, Agnes, Annemarie, Marlies, Karin, Monique, Tim, Chrissie, Veronique, Lukas, Dolf, Gaby, Luna, Indra, Wim, Rudy, Pim, Jacques en natuurlijk Benji de hond waardoor ik alles ontdekte, mijn huidige hond Fuchur en natuurlijk zal ik er nog wel een paar vergeten zijn, maar deze kwamen spontaan boven dwarrelen.