Anders zijn
Anders was ik altijd al. Dat wist ik diep van binnen. Ik huilde snel, kon niet meekomen met gymnastiek op school en paste niet in het beeld van de stoere jongen. Ik was een eenling. Meisjes waren mijn veilige haven. Met hen kon ik praten, daar voelde ik me op mijn gemak. Samen met mijn buurmeisje Annie voelde ik me gezien.
Als kind trok ik de bh van mijn moeder aan en liep ik op haar witte trouwschoenen — tot haar grote ergernis. Hoe vaak heb ik niet gehoord dat ik een “huil-ijzer” was. Ik had emoties die volgens anderen niet bij een jongen pasten.
Dat verlangen om me als vrouw te kleden is nooit verdwenen. Toen ik in 1985 op mezelf ging wonen, was het eerste wat ik kocht een blauw kleed. Als ik slecht sliep, deed ik die aan en dan sliep ik rustig. Later kwamen er jurken bij en uiteindelijk ook een bh. Toch heb ik lange tijd niet gedacht dat ik misschien zelf een vrouw zou kunnen zijn. Ik dacht dat het kwam doordat ik opgroeide tussen zes vrouwen in huis.

De ontdekking

In oktober 2002 ontdekte ik dat ik geboren ben met het Klinefelter-syndroom (XXY). Dat jaar was mijn vader overleden. Tegelijkertijd zat ik midden in familieproblemen rond het testament en de financiën. Ik moest dreigen met een rechtszaak om inzage te krijgen. Via een notaris kreeg ik uiteindelijk het testament. Voor een officieel bewijs van verwantschap moest ik naar de gemeente Kerkrade — de geboorteplaats van mijn vader.
Mijn jeugd was geen makkelijke tijd. Thuis moest je de beste zijn. Wij waren met zeven kinderen en werden tegen elkaar uitgespeeld. Als je niet voldeed aan het beeld dat men van je had, maakte dat het leven zwaar. Toch heb ik ook dingen van mijn vader geleerd, vooral als het om geld ging:
“Spar in der Zeit, dann hast du in der Not.” Met het verschil dat ik ook weet dat je niets kunt meenemen wanneer je gaat.
Van mijn moeder leerde ik koken en bakken. Het bakken lukt me nu niet meer vanwege mijn schildklierproblemen — ook iets wat in de familie zit. Maar naast wat ik leerde, was er ook veel hardheid. Het moest gaan zoals zij het wilde, in haar tempo. Anders volgde straf.

Dienstbaar moeten zijn

Ik werd opgevoed om dienstbaar te zijn. Waslijnen schoonmaken, schoenen poetsen voor het hele gezin, kippen voeren, kolen sjouwen, de kachels brandend houden, water dragen in emmers, helpen in de tuin van 35 meter lang. Toen mijn vader een hernia kreeg, kwam er nog meer op mijn schouders terecht.
Ik was mager en lichamelijk zwak. Toen ik van de lagere school kwam woog ik 34 kilo bij 1,68 meter. In 1968, toen ik in een garage ging werken, was ik 1,81 meter en 59 kilo — nog steeds te licht. Toch werd er verwacht dat ik alles aankon.
Toen ik op mijn 34e het huis verliet, werd mij verweten dat ik mijn moeder “in de steek liet”. Maar jarenlang had ik taken gedragen die niet bij een kind hoorden.

Contact met lotgenoten

Na mijn diagnose kwam ik via internet in contact met andere mensen met het Klinefelter-syndroom. Sommigen van hen waren in transitie gegaan. In onze correspondentie gaf ik herhaaldelijk aan dat ik dat ook wilde. Maar professor Curfs vond dat ik een man was, omdat ik een penis had en op vrouwen viel. Ik kreeg testosteronsuppletie.
Mijn lichaam veranderde. Ik kreeg overal haargroei. Maar innerlijk ging het slechter met me. Ieder jaar werd ik depressiever. Ik vroeg om psychologische hulp, maar kreeg die niet.
Na dertien jaar testosteron kon ik niet meer. Een conflict met een buurman — over een heg die niet eens van mij was — bracht me volledig uit balans. Ik wilde niet meer verder leven zoals ik leefde: ongehoord en niet gezien.
Ik belde mijn huisarts, dokter Vreuls. Ik kon meteen komen. Daar zei ik de woorden die ik mijn hele leven had ingeslikt:
“Ik ben een vrouw en word als een man behandeld.”
Ik was 65 jaar. Het was oktober 2016 — precies veertien jaar na de ontdekking van mijn Klinefelter.

De stap naar hulp

Mijn huisarts reageerde goed. Ze verwees mij naar de genderpoli van het Amsterdam UMC (destijds VUmc) voor onderzoek naar genderdysforie. Ook kreeg ik een verwijzing naar Zuyderland. Ik koos voor Amsterdam.
Dat was geen kleine stap. Ik woog 104 kilo, liep nauwelijks en gebruikte een scootmobiel. De wachttijd was acht maanden. Die maanden gebruikte ik om af te vallen en opnieuw te leren lopen. Van station naar het ziekenhuis was 1,6 kilometer — een enorme afstand voor mij.
Met kniebandages en veel pijn oefende ik. Ik viel af naar 76 kilo. Samen met mijn hond Fuchur liep ik mijn afstanden. Hij was mijn steun. In mei 2017 moest ik hem laten inslapen. Hij was 18,5 jaar — een gezegende leeftijd.
Op 10 juli 2017 had ik mijn intakegesprek in het VUmc. Dat was het begin van een nieuw hoofdstuk.
Voor het vervolg verwijs ik naar het traject.